Spreuken 6:10
Een weinig slapens, een weinig sluimerens, een weinig handvouwens, al nederliggende;
Een weinig slapens, een weinig sluimerens, een weinig handvouwens, al nederliggende;
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
33Een weinig slapens, een weinig sluimerens, en weinig handvouwens, al nederliggende;
34Zo zal uw armoede u overkomen, als een wandelaar, en uw velerlei gebrek als een gewapend man.
6Ga tot de mier, gij luiaard! zie haar wegen, en word wijs;
7Dewelke, geen overste, ambtman noch heerser hebbende,
8Haar brood bereidt in den zomer, haar spijs vergadert in den oogst.
9Hoe lang zult gij, luiaard, nederliggen? Wanneer zult gij van uw slaap opstaan?
4Laat uw ogen geen slaap toe, noch uw oogleden sluimering.
15Luiheid doet in diepen slaap vallen; en een bedriegelijke ziel zal hongeren.
13Heb den slaap niet lief, opdat gij niet arm wordt; open uw ogen, verzadig u met brood.
11Zo zal uw armoede u overkomen als een wandelaar, en uw gebrek als een gewapend man.
2Het is tevergeefs, dat gijlieden vroeg opstaat, laat opblijft, eet brood der smarten; het is alzo, dat Hij het Zijn beminden als in den slaap geeft.
12Er is een kwaad, dat krankheid aanbrengt, hetwelk ik zag onder de zon: rijkdom van zijn bezitters bewaard tot hun eigen kwaad.
13De luiaard zegt: Er is een felle leeuw op den weg, een leeuw is op de straten.
14Een deur keert om op haar herre, alzo de luiaard op zijn bed.
15De luiaard verbergt zijn hand in den boezem, hij is te moede, om die weder tot zijn mond te brengen.
18Door grote luiheid verzwakt het gebint, en door slapheid der handen wordt het huis doorlekkende.
24Een luiaard verbergt de hand in den boezem, en hij zal ze niet weder aan zijn mond brengen.
4Die met een bedriegelijke hand werkt, wordt arm; maar de hand der vlijtigen maakt rijk.
5Die in den zomer vergadert, is een verstandig zoon; maar die in den oogst vast slaapt, is een zoon die beschaamd maakt.
25De begeerte des luiaards zal hem doden, want zijn handen weigeren te werken.
15In den droom, door het gezicht des nachts, als een diepe slaap op de lieden valt, in de sluimering op het leger;
6Zo laat ons dan niet slapen, gelijk als de anderen, maar laat ons waken, en nuchteren zijn.
7Want die slapen, slapen des nachts, en die dronken zijn, zijn des nachts dronken;
16Want zij slapen niet, zo zij geen kwaad gedaan hebben; en hun slaap wordt weggenomen, zo zij niet iemand hebben doen struikelen.
36Opdat hij niet onvoorziens kome, en u slapende vinde.
5De zot vouwt zijn handen samen, en eet zijn eigen vlees.
6Een hand vol met rust is beter, dan beide de vuisten vol met arbeid en kwelling des geestes.
4Zo ik mijn ogen slaap geve, mijn oogleden sluimering;
26(Hierop ontwaakte ik, en zag toe, en mijn slaap was mij zoet.)
24De hand der vlijtigen zal heersen; maar de bedriegers zullen onder cijns wezen.
9Ook die zich slap aanstelt in zijn werk, die is een broeder van een doorbrenger.
4De ziel des luiaards is begerig, doch er is niets; maar de ziel der vlijtigen zal vet gemaakt worden.
4Om den winter zal de luiaard niet ploegen; daarom zal hij bedelen in den oogst, maar er zal niet zijn.
13Onder de gedachten van de gezichten des nachts, als diepe slaap valt op de mensen;
5Gij zijt doorluchtiger en heerlijker dan de roofbergen.
5Als nu de bruidegom vertoefde, werden zij allen sluimerig, en vielen in slaap.
26Gelijk edik den tanden, en gelijk rook den ogen is zo is de luie dengenen, die hem uitzenden.
20Want het bed zal korter zijn, dan dat men zich daarop uitstrekken kunne; en het deksel zal te smal wezen, als men zich daaronder voegt.
12Alzo ligt de mens neder, en staat niet op; totdat de hemelen niet meer zijn, zullen zij niet opwaken, noch uit hun slaap opgewekt worden.
24Zo gij nederligt, zult gij niet schrikken; maar gij zult nederliggen en uw slaap zal zoet wezen.
30Ik ging voorbij den akker eens luiaards, en voorbij den wijngaard van een verstandeloos mens;
46En Hij zeide tot hen: Wat slaapt gij? Staat op en bidt, opdat gij niet in verzoeking komt.
16Als ik mijn hart begaf, om wijsheid te weten, en om aan te zien de bezigheid, die op de aarde geschiedt, dat men ook, des daags of des nachts, den slaap niet ziet met zijne ogen;
13De luiaard zegt: Er is een leeuw buiten; ik mocht op het midden der straten gedood worden!
11Laat ons dan ons benaarstigen, om in die rust in te gaan; opdat niet iemand in hetzelfde voorbeeld der ongelovigheid valle.
27Een bedrieger zal zijn jachtvang niet braden; maar het kostelijk goed des mensen is des vlijtigen.
21Want een zuiper en vraat zal arm worden; en de sluimering doet verscheurde klederen dragen.
13Want nu zou ik nederliggen, en stil zijn; ik zou slapen, dan zou voor mij rust wezen;
19De weg des luiaards is als een doornheg; maar het pad der oprechten is wel gebaand.
22Als gij wandelt, zal dat u geleiden; als gij nederligt, zal het over u de wacht houden; als gij wakker wordt, zal hetzelve met u spreken.