Spreuken 6:4
Laat uw ogen geen slaap toe, noch uw oogleden sluimering.
Laat uw ogen geen slaap toe, noch uw oogleden sluimering.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
3Zo ik in de tent mijns huizes inga, zo ik op de koets van mijn bed klimme!
4Zo ik mijn ogen slaap geve, mijn oogleden sluimering;
9Hoe lang zult gij, luiaard, nederliggen? Wanneer zult gij van uw slaap opstaan?
10Een weinig slapens, een weinig sluimerens, een weinig handvouwens, al nederliggende;
11Zo zal uw armoede u overkomen als een wandelaar, en uw gebrek als een gewapend man.
13Heb den slaap niet lief, opdat gij niet arm wordt; open uw ogen, verzadig u met brood.
33Een weinig slapens, een weinig sluimerens, en weinig handvouwens, al nederliggende;
5Red u, als een ree uit de hand des jagers, en als een vogel uit de hand des vogelvangers.
6Ga tot de mier, gij luiaard! zie haar wegen, en word wijs;
25Laat uw ogen rechtuit zien, en uw oogleden zich recht voor u heen houden.
6Zo laat ons dan niet slapen, gelijk als de anderen, maar laat ons waken, en nuchteren zijn.
7Want die slapen, slapen des nachts, en die dronken zijn, zijn des nachts dronken;
3Doe nu dit, mijn zoon! en red u, dewijl gij in de hand uws naasten gekomen zijt; ga, onderwerp uzelven, en sterk uw naaste.
15Verwerp dien, ga er niet door; wijk er van, en ga voorbij.
16Want zij slapen niet, zo zij geen kwaad gedaan hebben; en hun slaap wordt weggenomen, zo zij niet iemand hebben doen struikelen.
24Om u te bewaren voor de kwade vrouw, voor het gevlei der vreemde tong.
25Begeer haar schoonheid niet in uw hart, en laat ze u niet vangen met haar oogleden.
3Hij zal uw voet niet laten wankelen; uw Bewaarder zal niet sluimeren.
4Ziet, de Bewaarder Israels zal niet sluimeren, noch slapen.
2Het is tevergeefs, dat gijlieden vroeg opstaat, laat opblijft, eet brood der smarten; het is alzo, dat Hij het Zijn beminden als in den slaap geeft.
3Hoe lang zal ik raadslagen voornemen in mijn ziel, droefenis in mijn hart bij dag? Hoe lang zal mijn vijand over mij verhoogd zijn?
22Als gij wandelt, zal dat u geleiden; als gij nederligt, zal het over u de wacht houden; als gij wakker wordt, zal hetzelve met u spreken.
36Opdat hij niet onvoorziens kome, en u slapende vinde.
13Onder de gedachten van de gezichten des nachts, als diepe slaap valt op de mensen;
15Luiheid doet in diepen slaap vallen; en een bedriegelijke ziel zal hongeren.
24Zo gij nederligt, zult gij niet schrikken; maar gij zult nederliggen en uw slaap zal zoet wezen.
4Vermoei u niet om rijk te worden; sta af van uw vernuft.
12Er is een kwaad, dat krankheid aanbrengt, hetwelk ik zag onder de zon: rijkdom van zijn bezitters bewaard tot hun eigen kwaad.
21Laat ze niet wijken van uw ogen, behoud ze in het midden uws harten.
26Wees niet onder degenen, die in de hand klappen, onder degenen, die voor schulden borg zijn.
27Zo gij niet hadt om te betalen, waarom zou men uw bed van onder u wegnemen?
4Dacht ik aan God, zo maakte ik misbaar; peinsde ik, zo werd mijn ziel overstelpt. Sela.
9Opdat gij anderen uw eer niet geeft, en uw jaren den wrede;
15In den droom, door het gezicht des nachts, als een diepe slaap op de lieden valt, in de sluimering op het leger;
46En Hij zeide tot hen: Wat slaapt gij? Staat op en bidt, opdat gij niet in verzoeking komt.
16Als ik mijn hart begaf, om wijsheid te weten, en om aan te zien de bezigheid, die op de aarde geschiedt, dat men ook, des daags of des nachts, den slaap niet ziet met zijne ogen;
20Haak niet naar dien nacht, als de volken van hun plaats opgenomen worden.
12Waarom rukt uw hart u weg, en waarom wenken uw ogen?
27Geen moede, en geen struikelende zal onder hen wezen; niemand zal sluimeren noch slapen, noch de gordel zijner lendenen ontbonden worden, noch de schoenriem zijner schoenen afgescheurd worden.
21Mijn zoon! laat ze niet afwijken van uw ogen; bewaar de bestendige wijsheid en bedachtzaamheid.
6O Jeruzalem! Ik heb wachters op uw muren besteld, die geduriglijk al den dag en al den nacht niet zullen zwijgen. O gij, die des HEEREN doet gedenken, laat geen stilzwijgen bij ulieden wezen!
26(Hierop ontwaakte ik, en zag toe, en mijn slaap was mij zoet.)
1Mijn zoon! zo gij voor uw naaste borg geworden zijt, voor een vreemde uw hand toegeklapt hebt;
23Maar om Uwentwil worden wij den gansen dag gedood; wij worden geacht als slachtschapen.
148Mijn ogen komen de nacht waken voor, om Uw rede te betrachten.
3Geeft aan de vrouwen uw vermogen niet, noch uw wegen, om koningen te verdelgen.
12Alzo ligt de mens neder, en staat niet op; totdat de hemelen niet meer zijn, zullen zij niet opwaken, noch uit hun slaap opgewekt worden.
12Doch indien hij een arm man is, zo zult gij met zijn pand niet nederliggen.
15Mijn zoon! wandel niet met hen op den weg; weer uw voet van hun pad.
6De zon zal u des daags niet steken, noch de maan des nachts.