Psalmen 119:148
Mijn ogen komen de nacht waken voor, om Uw rede te betrachten.
Mijn ogen komen de nacht waken voor, om Uw rede te betrachten.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
146Ik heb U aangeroepen, verlos mij, en ik zal Uw getuigenissen onderhouden.
147Ik ben de morgen schemering voorgekomen, en heb geschrei gemaakt; op Uw woord heb ik gehoopt.
123Mijn ogen zijn bezweken van verlangen naar Uw heil, en naar de toezegging Uwer rechtvaardigheid.
18Ontdek mijn ogen, dat ik aanschouwe de wonderen van Uw wet.
6Mijn ziel zou als met smeer en vettigheid verzadigd worden, en mijn mond zou roemen met vrolijk zingende lippen.
82Mijn ogen zijn bezweken van verlangen naar Uw toezegging, terwijl ik zeide: Wanneer zult Gij mij vertroosten?
4Zo ik mijn ogen slaap geve, mijn oogleden sluimering;
15Ik zal Uw bevelen overdenken, en op Uw paden letten.
16Ik zal mijzelven vermaken in Uw inzettingen; Uw woord zal ik niet vergeten.
4Dacht ik aan God, zo maakte ik misbaar; peinsde ik, zo werd mijn ziel overstelpt. Sela.
5Ik verwacht den HEERE; mijn ziel verwacht, en ik hoop op Zijn Woord.
6Mijn ziel wacht op den HEERE, meer dan de wachters op den morgen; de wachters op den morgen.
168Ik onderhoud Uw bevelen en Uw getuigenissen, want al mijn wegen zijn voor U.
169Thau. O HEERE! laat mijn geschrei voor Uw aanschijn genaken, maak mij verstandig naar Uw woord.
170Laat mijn smeken voor Uw aanschijn komen, red mij naar Uw toezegging.
3Hoe lang zal ik raadslagen voornemen in mijn ziel, droefenis in mijn hart bij dag? Hoe lang zal mijn vijand over mij verhoogd zijn?
10Ik zoek U met mijn gehele hart, laat mij van Uw geboden niet afdwalen.
11Ik heb Uw rede in mijn hart verborgen, opdat ik tegen U niet zondigen zou.
37Wend mijn ogen af, dat zij geen ijdelheid zien; maak mij levend door Uw wegen.
62Te middernacht sta ik op, om U te loven voor de rechten Uwer gerechtigheid.
149Hoor mijn stem naar Uw goedertierenheid, o HEERE! maak mij levend naar Uw recht.
158Ik heb gezien degenen, die trouwelooslijk handelen, en het verdroot mij, dat zij Uw woord niet onderhielden.
159Zie aan, dat ik Uw bevelen lief heb, o HEERE! maak mij levend naar Uw goedertierenheid.
55HEERE! des nachts ben ik Uws Naams gedachtig geweest, en heb Uw wet bewaard.
56Dat is mij geschied, omdat ik Uw bevelen bewaard heb.
101Ik heb mijn voeten geweerd van alle kwade paden, opdat ik Uw woord zou onderhouden.
13Zullen Uw wonderen bekend worden in de duisternis, en Uw gerechtigheid in het land der vergetelheid?
40Zie, ik heb een begeerte tot Uw bevelen; maak mij levend door Uw gerechtigheid.
131Ik heb mijn mond wijd opengedaan, en gehijgd, want ik heb verlangd naar Uw geboden.
7Ik ben moede van mijn zuchten; ik doe mijn bed den gansen nacht zwemmen; ik doornat mijn bedstede met mijn tranen.
15Ain. Mijn ogen zijn geduriglijk op den HEERE, want Hij zal mijn voeten uit het net uitvoeren.
3HEERE! zet een wacht voor mijn mond, behoed de deur mijner lippen.
8Doch op U zijn mijn ogen, HEERE, Heere! op U betrouw ik, ontbloot mijn ziel niet.
20Mijn ziel is verbroken vanwege het verlangen naar Uw oordelen te aller tijd.
105Nun. Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad.
5Och, dat mijn wegen gericht werden, om Uw inzettingen te bewaren!
97Mem. Hoe lief heb ik Uw wet! Zij is mijn betrachting den gansen dag.
6Ik overdacht de dagen van ouds, de jaren der eeuwen.
95De goddelozen hebben op mij gewacht, om mij te doen vergaan; ik neem acht op Uw getuigenissen.
3Merk op de stem mijns geroeps, o mijn Koning en mijn God! Want tot U zal ik bidden.
136Waterbeken vlieten af uit mijn ogen, omdat zij Uw wet niet onderhouden.
3Gij hebt mijn hart geproefd, des nachts bezocht, Gij hebt mij getoetst. Gij vindt niets; hetgeen ik gedacht heb, overtreedt mijn mond niet.
34Geef mij het verstand, en ik zal Uw wet houden; ja, ik zal ze onderhouden met gansen harte.
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Nechiloth.
27Geef mij den weg Uwer bevelen te verstaan, opdat ik Uw wonderen betrachte.
11Indien ik zeide: De duisternis zal mij immers bedekken; dan is de nacht een licht om mij.
114Gij zijt mijn Schuilplaats en mijn Schild; op Uw Woord heb ik gehoopt.
99Ik ben verstandiger dan al mijn leraars, omdat Uw getuigenissen mijn betrachting zijn.
129Pe. Uw getuigenissen zijn wonderbaar, daarom bewaart ze mijn ziel.
174O HEERE! ik verlang naar Uw heil, en Uw wet is al mijn vermaking.