Psalmen 5:1
Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Nechiloth.
Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Nechiloth.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
2O HEERE, neem mijn redenen ter ore; versta mijn overdenking.
3Merk op de stem mijns geroeps, o mijn Koning en mijn God! Want tot U zal ik bidden.
2Als de Zifieten gekomen waren, en tot Saul gezegd hadden: Verbergt zich David niet bij ons?
1Een onderwijzing van David, voor den opperzangmeester, op de Neginoth.
2O God! neem mijn gebed ter oren, en verberg U niet voor mijn smeking.
1Een gebed des verdrukten, als hij overstelpt is, en zijn klacht uitstort voor het aangezicht des HEEREN.
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Neginoth.
1Een gebed van David. HEERE! hoor de gerechtigheid, merk op mijn geschrei, neem ter ore mijn gebed, met onbedriegelijke lippen gesproken.
1Een lied Hammaaloth. Uit de diepten roep ik tot U, o HEERE!
2HEERE! hoor naar mijn stem; laat Uw oren opmerkende zijn op de stem mijner smekingen.
1Een psalm van David. O HEERE! hoor mijn gebed, neig de oren tot mijn smekingen; verhoor mij naar Uw waarheid, naar Uw gerechtigheid.
6HEERE! neem mijn gebed ter ore, en merk op de stem mijner smekingen.
1Een psalm van David. HEERE! ik roep U aan, haast U tot mij; neem mijn stem ter ore, als ik tot U roep.
1Een onderwijzing van Asaf. O mijn volk! neem mijn leer ter oren; neigt ulieder oor tot de redenen mijns monds.
14Houd Uw knecht ook terug van trotsheden; laat ze niet over mij heersen; dan zal ik oprecht zijn en rein van grote overtreding. [ (Psalms 19:15) Laat de redenen mijns monds, en de overdenking mijns harten welbehagelijk zijn voor Uw aangezicht, o HEERE, mijn Rotssteen en mijn Verlosser! ]
2O HEERE, God mijns heils! bij dag, bij nacht roep ik voor U.
6De hovaardigen hebben mij een strik verborgen, en koorden; zij hebben een net uitgespreid aan de zijde des wegs; valstrikken hebben zij mij gezet. Sela.
1Mijn zoon! merk op mijn wijsheid, neig uw oor tot mijn verstand;
19HEERE! luister naar mij, en hoor naar de stem mijner twisters.
6Ik roep U aan, omdat Gij mij verhoort; o God! neig Uw oor tot mij; hoor mijn rede.
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester. O God mijns lofs! zwijg niet.
3Zowel slechten als aanzienlijken, te zamen rijk en arm!
1Neig de oren, gij hemel, en ik zal spreken; en de aarde hore de redenen mijns monds.
9Wijkt van mij, al gij werkers der ongerechtigheid; want de HEERE heeft de stem mijns geweens gehoord.
8Zij gaan van kracht tot kracht; een iegelijk van hen zal verschijnen voor God in Sion.
1En gewisselijk, o Job! hoor toch mijn redenen, en neem al mijn woorden ter ore.
7Hoor, HEERE! mijn stem, als ik roep; en wees mij genadig, en antwoord mij.
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester.
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Neginoth.
6Hoort toch mijn verdediging, en merkt op de twistingen mijner lippen.
1Een onderwijzing van David, een gebed, als hij in de spelonk was.
1Een lied op Hammaaloth. Ik heb tot den HEERE geroepen in mijn benauwdheid, en Hij heeft mij verhoord.
15Ik zal Uw bevelen overdenken, en op Uw paden letten.
149Hoor mijn stem naar Uw goedertierenheid, o HEERE! maak mij levend naar Uw recht.
10Wat gewin is er in mijn bloed, in mijn nederdalen tot de groeve? Zal U het stof loven? Zal het Uw waarheid verkondigen?
1Een psalm van Asaf, voor den opperzangmeester, over Jeduthun.
20Mijn zoon! merk op mijn woorden, neig uw oor tot mijn redenen.
15Zo zal ik de overtreders Uw wegen leren; en de zondaars zullen zich tot U bekeren.
3Hoe lang zal ik raadslagen voornemen in mijn ziel, droefenis in mijn hart bij dag? Hoe lang zal mijn vijand over mij verhoogd zijn?
1Een psalm van David. Tot U roep ik, HEERE! mijn Rotssteen, houd U niet als doof van mij af; opdat ik niet, zo Gij U van mij stil houdt, vergeleken worde met degenen, die in den kuil nederdalen.
56Koph. Gij hebt mijn stem gehoord, verberg Uw oor niet voor mijn zuchten, voor mijn roepen.
12Kastijdt Gij iemand met straffingen om de ongerechtigheid, zo doet Gij zijn bevalligheid smelten als een mot; immers is een ieder mens ijdelheid. Sela.
1Een lied Hammaaloth, van David. O HEERE! mijn hart is niet verheven, en mijn ogen zijn niet hoog; ook heb ik niet gewandeld in dingen mij te groot en te wonderlijk.
169Thau. O HEERE! laat mijn geschrei voor Uw aanschijn genaken, maak mij verstandig naar Uw woord.
170Laat mijn smeken voor Uw aanschijn komen, red mij naar Uw toezegging.
34Mijn overdenking van Hem zal zoet zijn; ik zal mij in den HEERE verblijden.
1Ik heb lief, want de HEERE hoort mijn stem, mijn smekingen;
23Neemt ter ore en hoort mijn stem, merkt op en hoort mijn rede!
1Een psalm van David. Aleph. Tot U, o HEERE! hef ik mijn ziel op.
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester. HEERE! Gij doorgrondt en kent mij.