Job 33:1
En gewisselijk, o Job! hoor toch mijn redenen, en neem al mijn woorden ter ore.
En gewisselijk, o Job! hoor toch mijn redenen, en neem al mijn woorden ter ore.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
31Merk op, o Job! Hoor naar mij; zwijg, en ik zal spreken.
32Zo er redenen zijn, antwoord mij; spreek, want ik heb lust u te rechtvaardigen.
33Zo niet, hoor naar mij; zwijg, en ik zal u wijsheid leren.
2Zie nu, ik heb mijn mond opengedaan; mijn tong spreekt onder mijn gehemelte.
3Mijn redenen zullen de oprechtigheid mijns harten, en de wetenschap mijner lippen, wat zuiver is, uitspreken.
1Maar Job antwoordde en zeide:
2Hoort aandachtelijk mijn rede, en laat dit zijn uw vertroostingen.
3Verdraagt mij, en ik zal spreken; en nadat ik gesproken zal hebben, spot dan.
1Maar Job antwoordde en zeide:
1Maar Job antwoordde en zeide:
1Maar Job antwoordde en zeide:
8Zeker, gij hebt gezegd voor mijn oren, en ik heb de stem der woorden gehoord;
6Hoort toch mijn verdediging, en merkt op de twistingen mijner lippen.
23Neemt ter ore en hoort mijn stem, merkt op en hoort mijn rede!
1Neig de oren, gij hemel, en ik zal spreken; en de aarde hore de redenen mijns monds.
4Hoor toch, en ik zal spreken; ik zal U vragen, en onderricht Gij mij.
1Toen antwoordde Job den HEERE, en zeide:
1Maar Job antwoordde en zeide:
17Hoort naarstiglijk mijn rede, en mijn aanwijzing met uw oren.
3Zult gij ook Mijn oordeel te niet maken? Zult Gij Mij verdoemen, opdat gij rechtvaardig zijt?
1En Job ging voort zijn spreuk op te heffen, en zeide:
1Maar Job antwoordde en zeide:
1En Job ging voort zijn spreuk op te heffen, en zeide:
1Maar Job antwoordde en zeide:
1En de HEERE antwoordde Job uit een onweder, en zeide:
1Maar Job antwoordde en zeide:
16Zo er dan verstand bij u is, hoor dit; neig de oren tot de stem mijner woorden.
1Verder antwoordde Elihu, en zeide:
2Hoort, gij wijzen, mijn woorden, en gij verstandigen, neigt de oren naar mij.
34De lieden van verstand zullen met mij zeggen, en een wijs man zal naar mij horen;
35Dat Job niet met wetenschap gesproken heeft, en zijn woorden niet met kloek verstand geweest zijn.
2Want Job antwoordde en zeide:
11Ziet, ik heb gewacht op ulieder woorden; ik heb het oor gewend tot ulieder aanmerkingen, totdat gij redenen uitgezocht hadt.
14Neem dit, o Job, ter ore; sta, en aanmerk de wonderen Gods.
5Ik zou de redenen weten, die Hij mij antwoorden zou; en verstaan, wat Hij mij zeggen zou.
22Roep dan, en ik zal antwoorden; of ik zal spreken, en geef mij antwoord.
7Het geschiedde nu, nadat de HEERE die woorden tot Job gesproken had, dat de HEERE tot Elifaz, den Themaniet, zeide: Mijn toorn is ontstoken tegen u, en tegen uw twee vrienden, want gijlieden hebt niet recht van Mij gesproken, gelijk Mijn knecht Job.
3Maar ik zal tot den Almachtige spreken, en ben belust mij te verdedigen voor God.
1Daarna antwoordde de HEERE Job uit een onweder, en zeide:
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Nechiloth.
35Och, of ik een hadde, die mij hoorde! Zie, mijn oogmerk is, dat de Almachtige mij antwoorde, en dat mijn tegenpartij een boek schrijve.
5Zo gij kunt, antwoord mij; schik u voor mijn aangezicht, stel u.
1Een gebed van David. HEERE! hoor de gerechtigheid, merk op mijn geschrei, neem ter ore mijn gebed, met onbedriegelijke lippen gesproken.
22Ontvang toch de wet uit Zijn mond, en leg Zijn redenen in uw hart.
6Ik roep U aan, omdat Gij mij verhoort; o God! neig Uw oor tot mij; hoor mijn rede.
2Als de Zifieten gekomen waren, en tot Saul gezegd hadden: Verbergt zich David niet bij ons?
5Maar gewisselijk, och, of God sprak, en Zijn lippen tegen u opende;
1Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
1Een onderwijzing van Asaf. O mijn volk! neem mijn leer ter oren; neigt ulieder oor tot de redenen mijns monds.
24Nu dan, kinderen, hoort naar mij, en luistert naar de redenen mijns monds.