Job 33:1

Statenvertaling (States Bible)

En gewisselijk, o Job! hoor toch mijn redenen, en neem al mijn woorden ter ore.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Job 13:6 : 6 Hoort toch mijn verdediging, en merkt op de twistingen mijner lippen.
  • Job 34:2 : 2 Hoort, gij wijzen, mijn woorden, en gij verstandigen, neigt de oren naar mij.
  • Ps 49:1-3 : 1 Een psalm, voor den opperzangmeester, onder de kinderen van Korach. 2 Hoort dit, alle gij volken! neemt ter ore, alle inwoners der wereld, 3 Zowel slechten als aanzienlijken, te zamen rijk en arm!
  • Marc 4:9 : 9 En Hij zeide tot hen: Wie oren heeft om te horen, die hore.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Job 33:31-33
    3 verzen
    84%

    31Merk op, o Job! Hoor naar mij; zwijg, en ik zal spreken.

    32Zo er redenen zijn, antwoord mij; spreek, want ik heb lust u te rechtvaardigen.

    33Zo niet, hoor naar mij; zwijg, en ik zal u wijsheid leren.

  • Job 33:2-3
    2 verzen
    82%

    2Zie nu, ik heb mijn mond opengedaan; mijn tong spreekt onder mijn gehemelte.

    3Mijn redenen zullen de oprechtigheid mijns harten, en de wetenschap mijner lippen, wat zuiver is, uitspreken.

  • Job 21:1-3
    3 verzen
    80%

    1Maar Job antwoordde en zeide:

    2Hoort aandachtelijk mijn rede, en laat dit zijn uw vertroostingen.

    3Verdraagt mij, en ik zal spreken; en nadat ik gesproken zal hebben, spot dan.

  • 1Maar Job antwoordde en zeide:

  • 1Maar Job antwoordde en zeide:

  • 1Maar Job antwoordde en zeide:

  • 8Zeker, gij hebt gezegd voor mijn oren, en ik heb de stem der woorden gehoord;

  • 6Hoort toch mijn verdediging, en merkt op de twistingen mijner lippen.

  • 23Neemt ter ore en hoort mijn stem, merkt op en hoort mijn rede!

  • 1Neig de oren, gij hemel, en ik zal spreken; en de aarde hore de redenen mijns monds.

  • 4Hoor toch, en ik zal spreken; ik zal U vragen, en onderricht Gij mij.

  • 1Toen antwoordde Job den HEERE, en zeide:

  • 1Maar Job antwoordde en zeide:

  • 17Hoort naarstiglijk mijn rede, en mijn aanwijzing met uw oren.

  • 3Zult gij ook Mijn oordeel te niet maken? Zult Gij Mij verdoemen, opdat gij rechtvaardig zijt?

  • 1En Job ging voort zijn spreuk op te heffen, en zeide:

  • 1Maar Job antwoordde en zeide:

  • 1En Job ging voort zijn spreuk op te heffen, en zeide:

  • 1Maar Job antwoordde en zeide:

  • 1En de HEERE antwoordde Job uit een onweder, en zeide:

  • 1Maar Job antwoordde en zeide:

  • 16Zo er dan verstand bij u is, hoor dit; neig de oren tot de stem mijner woorden.

  • Job 34:1-2
    2 verzen
    76%

    1Verder antwoordde Elihu, en zeide:

    2Hoort, gij wijzen, mijn woorden, en gij verstandigen, neigt de oren naar mij.

  • Job 34:34-35
    2 verzen
    76%

    34De lieden van verstand zullen met mij zeggen, en een wijs man zal naar mij horen;

    35Dat Job niet met wetenschap gesproken heeft, en zijn woorden niet met kloek verstand geweest zijn.

  • 2Want Job antwoordde en zeide:

  • 11Ziet, ik heb gewacht op ulieder woorden; ik heb het oor gewend tot ulieder aanmerkingen, totdat gij redenen uitgezocht hadt.

  • 14Neem dit, o Job, ter ore; sta, en aanmerk de wonderen Gods.

  • 5Ik zou de redenen weten, die Hij mij antwoorden zou; en verstaan, wat Hij mij zeggen zou.

  • 22Roep dan, en ik zal antwoorden; of ik zal spreken, en geef mij antwoord.

  • 7Het geschiedde nu, nadat de HEERE die woorden tot Job gesproken had, dat de HEERE tot Elifaz, den Themaniet, zeide: Mijn toorn is ontstoken tegen u, en tegen uw twee vrienden, want gijlieden hebt niet recht van Mij gesproken, gelijk Mijn knecht Job.

  • 3Maar ik zal tot den Almachtige spreken, en ben belust mij te verdedigen voor God.

  • 1Daarna antwoordde de HEERE Job uit een onweder, en zeide:

  • 73%

    1Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Nechiloth.

  • 35Och, of ik een hadde, die mij hoorde! Zie, mijn oogmerk is, dat de Almachtige mij antwoorde, en dat mijn tegenpartij een boek schrijve.

  • 5Zo gij kunt, antwoord mij; schik u voor mijn aangezicht, stel u.

  • 1Een gebed van David. HEERE! hoor de gerechtigheid, merk op mijn geschrei, neem ter ore mijn gebed, met onbedriegelijke lippen gesproken.

  • 22Ontvang toch de wet uit Zijn mond, en leg Zijn redenen in uw hart.

  • 6Ik roep U aan, omdat Gij mij verhoort; o God! neig Uw oor tot mij; hoor mijn rede.

  • 2Als de Zifieten gekomen waren, en tot Saul gezegd hadden: Verbergt zich David niet bij ons?

  • 5Maar gewisselijk, och, of God sprak, en Zijn lippen tegen u opende;

  • 1Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:

  • 1Een onderwijzing van Asaf. O mijn volk! neem mijn leer ter oren; neigt ulieder oor tot de redenen mijns monds.

  • 24Nu dan, kinderen, hoort naar mij, en luistert naar de redenen mijns monds.