Job 32:11
Ziet, ik heb gewacht op ulieder woorden; ik heb het oor gewend tot ulieder aanmerkingen, totdat gij redenen uitgezocht hadt.
Ziet, ik heb gewacht op ulieder woorden; ik heb het oor gewend tot ulieder aanmerkingen, totdat gij redenen uitgezocht hadt.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
12Als ik nu acht op u gegeven heb, ziet, er is niemand, die Job overreedde, die uit ulieden zijn redenen beantwoordde;
10Daarom zeg ik: Hoor naar mij; ik zal mijn gevoelen ook vertonen.
14Nu heeft hij tegen mij geen woorden gericht, en met ulieder woorden zal ik hem niet beantwoorden.
15Zij zijn ontzet, zij antwoorden niet meer; zij hebben de woorden van zich verzet.
16Ik heb dan gewacht, maar zij spreken niet; want zij staan stil; zij antwoorden niet meer.
17Ik zal mijn deel ook antwoorden, ik zal mijn gevoelen ook vertonen.
21Zij hoorden mij aan, en wachtten, en zwegen op mijn raad.
31Merk op, o Job! Hoor naar mij; zwijg, en ik zal spreken.
32Zo er redenen zijn, antwoord mij; spreek, want ik heb lust u te rechtvaardigen.
33Zo niet, hoor naar mij; zwijg, en ik zal u wijsheid leren.
1En gewisselijk, o Job! hoor toch mijn redenen, en neem al mijn woorden ter ore.
2Zie nu, ik heb mijn mond opengedaan; mijn tong spreekt onder mijn gehemelte.
4Doch Elihu had gewacht op Job in het spreken, omdat zij ouder van dagen waren dan hij.
5Als dan Elihu zag, dat er geen antwoord was in den mond van die drie mannen, ontstak zijn toorn.
6Hierom antwoordde Elihu, de zoon van Baracheel, den Buziet, en zeide: Ik ben minder van dagen, maar gijlieden zijt stokouden; daarom heb ik geschroomd en gevreesd, ulieden mijn gevoelen te vertonen.
7Ik zeide: Laat de dagen spreken, en de veelheid der jaren wijsheid te kennen geven.
6Hoort toch mijn verdediging, en merkt op de twistingen mijner lippen.
8Zeker, gij hebt gezegd voor mijn oren, en ik heb de stem der woorden gehoord;
4Ik zou het recht voor Zijn aangezicht ordentelijk voorstellen, en mijn mond zou ik met verdedigingen vervullen.
5Ik zou de redenen weten, die Hij mij antwoorden zou; en verstaan, wat Hij mij zeggen zou.
4Hoor toch, en ik zal spreken; ik zal U vragen, en onderricht Gij mij.
1Maar Job antwoordde en zeide:
2Hoort aandachtelijk mijn rede, en laat dit zijn uw vertroostingen.
34De lieden van verstand zullen met mij zeggen, en een wijs man zal naar mij horen;
2Hoe lang is het, dat gijlieden een einde van woorden zult maken? Merkt op, en daarna zullen wij spreken.
11Als een oor mij hoorde, zo hield het mij gelukzalig; als mij een oog zag, zo getuigde het van mij.
1Maar Job antwoordde en zeide:
1Verder antwoordde Elihu, en zeide:
2Hoort, gij wijzen, mijn woorden, en gij verstandigen, neigt de oren naar mij.
1Maar Job antwoordde en zeide:
2Ik heb vele dergelijke dingen gehoord; gij allen zijt moeilijke vertroosters.
23Want zij wachtten naar mij, gelijk naar den regen, en sperden hun mond open, als naar den spaden regen.
16Zo er dan verstand bij u is, hoor dit; neig de oren tot de stem mijner woorden.
17Hoort naarstiglijk mijn rede, en mijn aanwijzing met uw oren.
1Ik stond op mijn wacht, en ik stelde mij op de sterkte, en ik hield wacht om te zien, wat Hij in mij spreken zou, en wat ik antwoorden zou op mijn bestraffing.
5Zo gij kunt, antwoord mij; schik u voor mijn aangezicht, stel u.
23Neemt ter ore en hoort mijn stem, merkt op en hoort mijn rede!
5Ik verwacht den HEERE; mijn ziel verwacht, en ik hoop op Zijn Woord.
14Neem dit, o Job, ter ore; sta, en aanmerk de wonderen Gods.
1Davids psalm, voor den opperzangmeester.
2Verbeid mij een weinig, en ik zal u aanwijzen, dat er nog redenen voor God zijn.
16Hij stond, doch ik kende zijn gedaante niet; een beeltenis was voor mijn ogen; er was stilte, en ik hoorde een stem, zeggende:
1Ziet, dat alles heeft mijn oog gezien, mijn oor gehoord en verstaan.
2Ik zeide: Ik zal mijn wegen bewaren, dat ik niet zondige met mijn tong; ik zal mijn mond met een breidel bewaren, terwijl de goddeloze nog tegenover mij is.
1Maar Job antwoordde en zeide:
32Als ik dat aanschouwde, nam ik het ter harte; ik zag het, en nam onderwijzing aan;
14Ik daarentegen ben als een dove, ik hoor niet, en als een stomme, die zijn mond niet opendoet.
3Maar ik zal tot den Almachtige spreken, en ben belust mij te verdedigen voor God.
22Roep dan, en ik zal antwoorden; of ik zal spreken, en geef mij antwoord.
1Maar Job antwoordde en zeide: