Job 33:8
Zeker, gij hebt gezegd voor mijn oren, en ik heb de stem der woorden gehoord;
Zeker, gij hebt gezegd voor mijn oren, en ik heb de stem der woorden gehoord;
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
4Hoor toch, en ik zal spreken; ik zal U vragen, en onderricht Gij mij.
5Met het gehoor des oors heb ik U gehoord; maar nu ziet U mijn oog.
1En gewisselijk, o Job! hoor toch mijn redenen, en neem al mijn woorden ter ore.
2Zie nu, ik heb mijn mond opengedaan; mijn tong spreekt onder mijn gehemelte.
3Mijn redenen zullen de oprechtigheid mijns harten, en de wetenschap mijner lippen, wat zuiver is, uitspreken.
1Ziet, dat alles heeft mijn oog gezien, mijn oor gehoord en verstaan.
9Ik ben rein, zonder overtreding; ik ben zuiver, en heb geen misdaad.
23Neemt ter ore en hoort mijn stem, merkt op en hoort mijn rede!
4Want gij hebt gezegd: Mijn leer is zuiver, en ik ben rein in uw ogen.
5Maar gewisselijk, och, of God sprak, en Zijn lippen tegen u opende;
22Roep dan, en ik zal antwoorden; of ik zal spreken, en geef mij antwoord.
16Zo er dan verstand bij u is, hoor dit; neig de oren tot de stem mijner woorden.
17Hoort naarstiglijk mijn rede, en mijn aanwijzing met uw oren.
13Alzo hebt gij u met uw mond tegen Mij groot gemaakt, en uw woorden tegen Mij vermenigvuldigd; Ik heb het gehoord.
31Merk op, o Job! Hoor naar mij; zwijg, en ik zal spreken.
32Zo er redenen zijn, antwoord mij; spreek, want ik heb lust u te rechtvaardigen.
33Zo niet, hoor naar mij; zwijg, en ik zal u wijsheid leren.
11Als een oor mij hoorde, zo hield het mij gelukzalig; als mij een oog zag, zo getuigde het van mij.
8Hebt gij den verborgen raad Gods gehoord, en hebt gij de wijsheid naar u getrokken?
28Als nu de HEERE de stem uwer woorden hoorde, toen gij tot mij spraakt, zo zeide de HEERE tot mij: Ik heb gehoord de stem der woorden van dit volk, die zij tot u gesproken hebben; het is altemaal goed, dat zij gesproken hebben.
6Ik roep U aan, omdat Gij mij verhoort; o God! neig Uw oor tot mij; hoor mijn rede.
16Hij stond, doch ik kende zijn gedaante niet; een beeltenis was voor mijn ogen; er was stilte, en ik hoorde een stem, zeggende:
7Zie, mijn verschrikking zal u niet beroeren, en mijn hand zal over u niet zwaar zijn.
8Verberg hen te zamen in het stof; verbind hun aangezichten in het verborgen!
35Nog zegt gij: Zeker, ik ben onschuldig; Zijn toorn is immers van mij afgekeerd. Ziet, Ik zal met u rechten, omdat gij zegt: Ik heb niet gezondigd.
11Ziet, ik heb gewacht op ulieder woorden; ik heb het oor gewend tot ulieder aanmerkingen, totdat gij redenen uitgezocht hadt.
31Zekerlijk heeft hij tot God gezegd: Ik heb Uw straf verdragen, ik zal het niet verderven.
32Behalve wat ik zie, leer Gij mij; heb ik onrecht gewrocht, ik zal het niet meer doen.
14Ik daarentegen ben als een dove, ik hoor niet, en als een stomme, die zijn mond niet opendoet.
22Geloofd zij de HEERE, want Hij heeft Zijn goedertierenheid aan mij wonderlijk gemaakt, mij voerende als in een vaste stad.
6Dat Gij onderzoekt naar mijn ongerechtigheid, en naar mijn zonde verneemt?
7Het is Uw wetenschap, dat ik niet goddeloos ben; nochtans is er niemand, die uit Uw hand verlosse.
8Uw handen doen mij smart aan, hoewel zij mij gemaakt hebben, te zamen rondom mij zijn zij, en Gij verslindt mij.
17Ik zal u wijzen, hoor mij aan, en hetgeen ik gezien heb, dat zal ik vertellen;
3Ik heb aangehoord een bestraffing, die mij schande aandoet; maar de geest zal uit mijn verstand voor mij antwoorden.
10Verder zeide Hij tot mij: Mensenkind, vat al Mijn woorden, die Ik tot u spreken zal, in uw hart, en hoor ze met uw oren.
1Neig de oren, gij hemel, en ik zal spreken; en de aarde hore de redenen mijns monds.
19Maar zeker, God heeft gehoord; Hij heeft gemerkt op de stem mijns gebeds.
3Gij hebt mijn hart geproefd, des nachts bezocht, Gij hebt mij getoetst. Gij vindt niets; hetgeen ik gedacht heb, overtreedt mijn mond niet.
21Deze dingen doet gij, en Ik zwijg; gij meent, dat Ik te enenmale ben, gelijk gij; Ik zal u straffen, en zal het ordentelijk voor uw ogen stellen.
56Koph. Gij hebt mijn stem gehoord, verberg Uw oor niet voor mijn zuchten, voor mijn roepen.
2Hoort met aandacht de beweging Zijner stem, en het geluid, dat uit Zijn mond uitgaat!
5Zo gij kunt, antwoord mij; schik u voor mijn aangezicht, stel u.
5Ik zou de redenen weten, die Hij mij antwoorden zou; en verstaan, wat Hij mij zeggen zou.
18Want wie heeft in des HEEREN raad gestaan, en Zijn woord gezien of gehoord? Wie heeft Zijn woord aangemerkt en gehoord?
15Wat zal ik spreken? Gelijk Hij het mij heeft toegezegd, alzo heeft Hij het gedaan; ik zal nu al zoetjes voorttreden al mijn jaren, vanwege de bitterheid mijner ziel.
6Hoort toch mijn verdediging, en merkt op de twistingen mijner lippen.
27Omdat uw hart week geworden is, en gij u voor het aangezicht Gods vernederd hebt, als gij Zijn woorden hoordet tegen deze plaats en tegen haar inwoners, en hebt u vernederd voor Mijn aangezicht, en uw klederen gescheurd, en geweend voor Mijn aangezicht, zo heb Ik u ook verhoord, spreekt de HEERE.
2Hoort, gij wijzen, mijn woorden, en gij verstandigen, neigt de oren naar mij.
3Want gij hebt gezegd: Wat zou zij u baten? Wat meer voordeel zal ik daarmede doen, dan met mijn zonde?