Job 37:2
Hoort met aandacht de beweging Zijner stem, en het geluid, dat uit Zijn mond uitgaat!
Hoort met aandacht de beweging Zijner stem, en het geluid, dat uit Zijn mond uitgaat!
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
3Dat zendt Hij rechtuit onder den gansen hemel, en Zijn licht over de einden der aarde.
4Daarna brult Hij met de stem; Hij dondert met de stem Zijner hoogheid, en vertrekt die dingen niet, als Zijn stem zal gehoord worden.
5God dondert met Zijn stem zeer wonderlijk; Hij doet grote dingen, en wij begrijpen ze niet.
6Want Hij zegt tot de sneeuw: Wees op de aarde; en tot den plasregens des regens; dan is er de plasregen Zijner sterke regenen.
1Ook beeft hierover mijn hart, en springt op uit zijn plaats.
16Als Hij Zijn stem geeft, zo is er een gedruis van wateren in den hemel, en Hij doet de dampen opklimmen van het einde der aarde; Hij maakt de bliksemen met den regen, en doet den wind voortkomen uit Zijn schatkameren.
13Als Hij Zijn stem geeft, zo is er een gedruis van wateren in den hemel, en Hij doet de dampen opklimmen van het einde der aarde; Hij maakt de bliksemen met den regen, en doet den wind voortkomen uit Zijn schatkameren.
1Neig de oren, gij hemel, en ik zal spreken; en de aarde hore de redenen mijns monds.
23Neemt ter ore en hoort mijn stem, merkt op en hoort mijn rede!
17De wateren zagen U, o God! de wateren zagen U, zij beefden; ook waren de afgronden beroerd.
18De dikke wolken goten water uit; de bovenste wolken gaven geluid; ook gingen Uw pijlen daarhenen.
33Daarvan verkondigt Zijn geklater, en het vee; ook van den opgaanden damp
14Ziet, dit zijn maar uiterste einden Zijner wegen; en wat een klein stukje der zaak hebben wij van Hem gehoord? Wie zou dan den donder Zijner mogendheden verstaan?
3De stem des HEEREN is op de wateren, de God der ere dondert; de HEERE is op de grote wateren.
4De stem des HEEREN is met kracht, de stem des HEEREN is met heerlijkheid.
16Zo er dan verstand bij u is, hoor dit; neig de oren tot de stem mijner woorden.
14De HEERE donderde van den hemel, en de Allerhoogste gaf Zijn stem.
14Neem dit, o Job, ter ore; sta, en aanmerk de wonderen Gods.
17Hoort naarstiglijk mijn rede, en mijn aanwijzing met uw oren.
21Onder hem zijn scherpe scherven; hij spreidt zich op het puntachtige, als op slijk.
7De stem des HEEREN houwt er vlammen vuurs uit.
29Kan men ook verstaan de uitbreidingen der wolken, en de krakingen Zijner hutte?
8Zeker, gij hebt gezegd voor mijn oren, en ik heb de stem der woorden gehoord;
19De pijl zal hem niet doen vlieden, de slingerstenen worden hem in stoppelen veranderd.
9Rook ging op van Zijn neus, en een vuur uit Zijn mond verteerde; kolen werden daarvan aangestoken.
2O God! neem mijn gebed ter oren, en verberg U niet voor mijn smeking.
24Nu dan, kinderen, hoort naar mij, en luistert naar de redenen mijns monds.
24Het graaft in den grond, en het is vrolijk in zijn kracht; en trekt uit, den geharnaste tegemoet.
25Het belacht de vreze, en wordt niet ontsteld, en keert niet wederom vanwege het zwaard.
30En de HEERE zal Zijn heerlijke stem doen horen, en de nederlating Zijns arms doen zien, met grimmigheid van toorn, en een vlam van verterend vuur, stralen, en een vloed, en hagelstenen.
1Nadert, gij heidenen, om te horen, en gij volken, luistert toe; de aarde hore, en haar volheid, de wereld en al wat daaruit voortkomt.
1En gewisselijk, o Job! hoor toch mijn redenen, en neem al mijn woorden ter ore.
20Zal het Hem verteld worden, als ik zo zou spreken? Denkt iemand dat, gewisselijk, hij zal verslonden worden.
2HEERE! hoor naar mijn stem; laat Uw oren opmerkende zijn op de stem mijner smekingen.
34Kunt gij uw stem tot de wolken opheffen, opdat een overvloed van water u bedekke?
35Kunt gij de bliksemen uitlaten, dat zij henenvaren, en tot u zeggen: Zie, hier zijn wij?
8Toen daverde en beefde de aarde, en de gronden der bergen beroerden zich en daverden, omdat Hij ontstoken was.
4Zijn bliksemen verlichten de wereld; het aardrijk ziet ze en het beeft.
3De dag aan den dag stort overvloediglijk spraak uit, en de nacht aan den nacht toont wetenschap.
8Vuur en hagel, sneeuw en damp; gij stormwind, die Zijn woord doet!
7De zee bruise met haar volheid, de wereld met degenen, die daarin wonen.
2Als de Zifieten gekomen waren, en tot Saul gezegd hadden: Verbergt zich David niet bij ons?
31Merk op, o Job! Hoor naar mij; zwijg, en ik zal spreken.
22Als van het noorden het goud komt; maar bij God is een vreselijke majesteit!
3En hij riep met een grote stem, gelijkerwijs een leeuw brult; en als hij geroepen had, spraken de zeven donderslagen hun stemmen.
7Hij doet dampen opklimmen van het einde der aarde; Hij maakt de bliksemen met den regen; Hij brengt den wind uit Zijn schatkameren voort.
2Hoort, gij wijzen, mijn woorden, en gij verstandigen, neigt de oren naar mij.
12Die keert zich dan naar Zijn wijzen raad door ommegangen, dat zij doen al wat Hij ze gebiedt, op het vlakke der wereld, op de aarde.
33Gij koninkrijken der aarde, zingt Gode; psalmzingt den Heere! Sela.
1Een onderwijzing van Asaf. O mijn volk! neem mijn leer ter oren; neigt ulieder oor tot de redenen mijns monds.