Psalmen 38:14

Statenvertaling (States Bible)

Ik daarentegen ben als een dove, ik hoor niet, en als een stomme, die zijn mond niet opendoet.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Am 5:13 : 13 Daarom zal de verstandige te dier tijd zwijgen, want het zal een boze tijd zijn.
  • Micha 7:5 : 5 Gelooft een vriend niet, vertrouwt niet op een voornaamsten vriend; bewaar de deuren uws monds voor haar, die in uw schoot ligt.
  • Marc 15:3-5 : 3 En de overpriesters beschuldigden Hem van vele zaken; maar Hij antwoordde niets. 4 En Pilatus vraagde Hem wederom, zeggende: Antwoordt Gij niet? Zie, hoe vele zaken zij tegen U getuigen! 5 En Jezus heeft niet meer geantwoord, zodat Pilatus zich verwonderde.
  • Joh 8:6 : 6 En dit zeiden zij, Hem verzoekende, opdat zij iets hadden, om Hem te beschuldigen. Maar Jezus, nederbukkende, schreef met den vinger in de aarde.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • 13En die mijn ziel zoeken, leggen mij strikken; en die mijn kwaad zoeken, spreken verdervingen, en zij overdenken den gansen dag listen.

  • 15Ja, ik ben als een man, die niet hoort, en in wiens mond geen tegenredenen zijn.

  • Ps 39:8-10
    3 verzen
    76%

    8En nu, wat verwacht ik, o HEERE! Mijn hoop, die is op U.

    9Verlos mij van al mijn overtredingen; en stel mij niet tot een smaad des dwazen.

    10Ik ben verstomd, ik zal mijn mond niet opendoen, want Gij hebt het gedaan.

  • Ps 39:1-2
    2 verzen
    76%

    1Een psalm van David, voor den opperzangmeester, voor Jeduthun.

    2Ik zeide: Ik zal mijn wegen bewaren, dat ik niet zondige met mijn tong; ik zal mijn mond met een breidel bewaren, terwijl de goddeloze nog tegenover mij is.

  • Job 32:14-16
    3 verzen
    75%

    14Nu heeft hij tegen mij geen woorden gericht, en met ulieder woorden zal ik hem niet beantwoorden.

    15Zij zijn ontzet, zij antwoorden niet meer; zij hebben de woorden van zich verzet.

    16Ik heb dan gewacht, maar zij spreken niet; want zij staan stil; zij antwoorden niet meer.

  • 5De Heere HEERE heeft Mij het oor geopend, en Ik ben niet wederspannig, Ik wijk niet achterwaarts.

  • Jes 42:18-20
    3 verzen
    74%

    18Hoort, gij doven! en schouwt aan, gij blinden! om te zien.

    19Wie is er blind als Mijn knecht, en doof, gelijk Mijn bode, dien Ik zende? Wie is blind, gelijk de volmaakte, en blind, gelijk de knecht des HEEREN?

    20Gij ziet wel veel dingen, maar gij bewaart ze niet; of schoon hij de oren opendoet, zo hoort hij toch niet.

  • 8Zeker, gij hebt gezegd voor mijn oren, en ik heb de stem der woorden gehoord;

  • 17Oren hebben zij, maar horen niet; ook is er geen adem in hun mond.

  • 13En heb niet gehoord naar de stem mijner onderwijzers, noch mijn oren geneigd tot mijn leraars!

  • 19Een knecht zal door de woorden niet getuchtigd worden; hoewel hij u verstaat, nochtans zal hij niet antwoorden.

  • 4Hebt gij een arm gelijk God? En kunt gij, gelijk Hij, met de stem donderen?

  • 3Toen ik zweeg, werden mijn beenderen verouderd, in mijn brullen den gansen dag.

  • Job 42:3-4
    2 verzen
    71%

    3Wie is hij, zegt Gij, die den raad verbergt zonder wetenschap? Zo heb ik dan verhaald, hetgeen ik niet verstond, dingen, die voor mij te wonderbaar waren, die ik niet wist.

    4Hoor toch, en ik zal spreken; ik zal U vragen, en onderricht Gij mij.

  • 11Als een oor mij hoorde, zo hield het mij gelukzalig; als mij een oog zag, zo getuigde het van mij.

  • 21Zij hoorden mij aan, en wachtten, en zwegen op mijn raad.

  • 1Een psalm van David, om te doen gedenken.

  • 3Ik heb aangehoord een bestraffing, die mij schande aandoet; maar de geest zal uit mijn verstand voor mij antwoorden.

  • 16Ik riep mijn knecht, en hij antwoordde niet; ik smeekte met mijn mond tot hem.

  • 34Zeker, ik kon wel een grote menigte geweldiglijk onderdrukt hebben; maar de verachtste der huisgezinnen zou mij afgeschrikt hebben; zodat ik gewezen zou hebben, en ter deure niet uitgegaan zijn.

  • 20Ik schrei tot U, maar Gij antwoordt mij niet; ik sta, maar Gij acht niet op mij.

  • 19Wie is hij, die met mij twist? Wanneer ik nu zweeg, zo zou ik den geest geven.

  • 15Wat zal ik spreken? Gelijk Hij het mij heeft toegezegd, alzo heeft Hij het gedaan; ik zal nu al zoetjes voorttreden al mijn jaren, vanwege de bitterheid mijner ziel.

  • 12Enkel verderving is binnen in haar; en list en bedrog wijkt niet van haar straat.

  • 7Ziet, ik roep, geweld! doch word niet verhoord; ik schreeuw, doch er is geen recht.

  • 14Hoeveel te min zal ik Hem antwoorden, en mijn woorden uitkiezen tegen Hem?

  • 16Hij stond, doch ik kende zijn gedaante niet; een beeltenis was voor mijn ogen; er was stilte, en ik hoorde een stem, zeggende:

  • 15En toen Hij deze woorden met mij sprak, sloeg ik mijn aangezicht ter aarde, en ik werd stom.

  • 28Want Ik zag toe, maar er was niemand, zelfs onder dezen, maar er was geen raadgever, dat Ik hen zou vragen, en zij Mij antwoord geven zouden.

  • 18Had ik naar ongerechtigheid met mijn hart gezien, de Heere zou niet gehoord hebben.

  • 2O God! neem mijn gebed ter oren, en verberg U niet voor mijn smeking.

  • 20Zal het Hem verteld worden, als ik zo zou spreken? Denkt iemand dat, gewisselijk, hij zal verslonden worden.

  • 21Deze dingen doet gij, en Ik zwijg; gij meent, dat Ik te enenmale ben, gelijk gij; Ik zal u straffen, en zal het ordentelijk voor uw ogen stellen.

  • 10Tot wie zal ik spreken en betuigen, dat zij het horen? Ziet, hun oor is onbesneden, dat zij niet kunnen toeluisteren; ziet, het woord des HEEREN is hun tot een smaad, zij hebben geen lust daartoe.

  • 8Want mijn darmen zijn vol van een verachtelijke plage, en er is niets geheels in mijn vlees.

  • 33Zo niet, hoor naar mij; zwijg, en ik zal u wijsheid leren.

  • 21Ik sprak u aan in uw groten voorspoed, maar gij zeidet: Ik zal niet horen. Dit is uw weg van uw jeugd af, dat gij Mijner stem niet hebt gehoorzaamd.

  • 12Vanwege al mijn wederpartijders ben ik, ook mijn naburen, grotelijks tot een smaad geworden, en mijn bekenden tot een schrik; die mij op de straten zien, vlieden van mij weg.

  • 22Geloofd zij de HEERE, want Hij heeft Zijn goedertierenheid aan mij wonderlijk gemaakt, mij voerende als in een vaste stad.

  • 22Toen was ik onvernuftig, en wist niets; ik was een groot beest bij U.

  • 21Hoort nu dit, gij dwaas en harteloos volk! die ogen hebben, maar zien niet, die oren hebben, maar horen niet.

  • 3En de ogen dergenen, die zien, zullen niet terugzien, en de oren dergenen, die horen, zullen opmerken.