Job 29:21

Statenvertaling (States Bible)

Zij hoorden mij aan, en wachtten, en zwegen op mijn raad.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Job 29:9-9 : 9 De oversten hielden de woorden in, en leiden de hand op hun mond. 10 De stem der vorsten verstak zich, en hun tong kleefde aan hun gehemelte.
  • Job 32:11-12 : 11 Ziet, ik heb gewacht op ulieder woorden; ik heb het oor gewend tot ulieder aanmerkingen, totdat gij redenen uitgezocht hadt. 12 Als ik nu acht op u gegeven heb, ziet, er is niemand, die Job overreedde, die uit ulieden zijn redenen beantwoordde;

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Job 29:22-24
    3 verzen
    81%

    22Na mijn woord spraken zij niet weder, en mijn rede drupte op hen.

    23Want zij wachtten naar mij, gelijk naar den regen, en sperden hun mond open, als naar den spaden regen.

    24Lachte ik hun toe, zij geloofden het niet; en het licht mijns aangezichts deden zij niet nedervallen.

  • Job 32:15-16
    2 verzen
    76%

    15Zij zijn ontzet, zij antwoorden niet meer; zij hebben de woorden van zich verzet.

    16Ik heb dan gewacht, maar zij spreken niet; want zij staan stil; zij antwoorden niet meer.

  • Job 32:10-12
    3 verzen
    76%

    10Daarom zeg ik: Hoor naar mij; ik zal mijn gevoelen ook vertonen.

    11Ziet, ik heb gewacht op ulieder woorden; ik heb het oor gewend tot ulieder aanmerkingen, totdat gij redenen uitgezocht hadt.

    12Als ik nu acht op u gegeven heb, ziet, er is niemand, die Job overreedde, die uit ulieden zijn redenen beantwoordde;

  • Job 29:8-11
    4 verzen
    75%

    8De jongens zagen mij, en verstaken zich, en de stokouden rezen op en stonden.

    9De oversten hielden de woorden in, en leiden de hand op hun mond.

    10De stem der vorsten verstak zich, en hun tong kleefde aan hun gehemelte.

    11Als een oor mij hoorde, zo hield het mij gelukzalig; als mij een oog zag, zo getuigde het van mij.

  • 31Merk op, o Job! Hoor naar mij; zwijg, en ik zal spreken.

  • Ps 39:1-2
    2 verzen
    74%

    1Een psalm van David, voor den opperzangmeester, voor Jeduthun.

    2Ik zeide: Ik zal mijn wegen bewaren, dat ik niet zondige met mijn tong; ik zal mijn mond met een breidel bewaren, terwijl de goddeloze nog tegenover mij is.

  • 33Zo niet, hoor naar mij; zwijg, en ik zal u wijsheid leren.

  • 34De lieden van verstand zullen met mij zeggen, en een wijs man zal naar mij horen;

  • 23Neemt ter ore en hoort mijn stem, merkt op en hoort mijn rede!

  • Ps 38:13-14
    2 verzen
    71%

    13En die mijn ziel zoeken, leggen mij strikken; en die mijn kwaad zoeken, spreken verdervingen, en zij overdenken den gansen dag listen.

    14Ik daarentegen ben als een dove, ik hoor niet, en als een stomme, die zijn mond niet opendoet.

  • 17De woorden der wijzen moeten in stilheid aangehoord worden, meer dan het geroep desgenen, die over de zotten heerst.

  • 2Hoort, gij wijzen, mijn woorden, en gij verstandigen, neigt de oren naar mij.

  • 24Nu dan, kinderen, hoort naar mij, en luistert naar de redenen mijns monds.

  • 1Zwijgt voor Mij, gij eilanden! en laat de volken de kracht vernieuwen; laat ze toetreden, laat ze dan spreken; laat ons samen ten gerichte naderen.

  • 28Een dwaas zelfs, die zwijgt, zal wijs geacht worden, en die zijn lippen toesluit, verstandig.

  • 28Want Ik zag toe, maar er was niemand, zelfs onder dezen, maar er was geen raadgever, dat Ik hen zou vragen, en zij Mij antwoord geven zouden.

  • 19HEERE! luister naar mij, en hoor naar de stem mijner twisters.

  • Job 13:5-6
    2 verzen
    70%

    5Och, of gij gans stilzweegt! Dat zou ulieden voor wijsheid wezen.

    6Hoort toch mijn verdediging, en merkt op de twistingen mijner lippen.

  • 3Toen ik zweeg, werden mijn beenderen verouderd, in mijn brullen den gansen dag.

  • 5Ziet mij aan, en wordt verbaasd, en legt de hand op den mond.

  • 2Hoort aandachtelijk mijn rede, en laat dit zijn uw vertroostingen.

  • 17Neig uw oor, en hoor de woorden der wijzen, en stel uw hart tot mijn wetenschap;

  • 17Hoort naarstiglijk mijn rede, en mijn aanwijzing met uw oren.

  • 1Mijn zoon! merk op mijn wijsheid, neig uw oor tot mijn verstand;

  • 12Voorts is tot mij een woord heimelijk gebracht, en mijn oor heeft een weinigje daarvan gevat;

  • 1Een onderwijzing van Asaf. O mijn volk! neem mijn leer ter oren; neigt ulieder oor tot de redenen mijns monds.

  • 16Zo er dan verstand bij u is, hoor dit; neig de oren tot de stem mijner woorden.

  • 33Maar die naar Mij hoort, zal zeker wonen, en hij zal gerust zijn van de vreze des kwaads.

  • 20Mijn zoon! merk op mijn woorden, neig uw oor tot mijn redenen.

  • 21Doch zij zwegen stil, en antwoordden hem niet een woord; want het gebod des konings was, zeggende: Gij zult hem niet antwoorden.

  • 19Wie is hij, die met mij twist? Wanneer ik nu zweeg, zo zou ik den geest geven.

  • 11Een zot laat zijn gansen geest uit, maar de wijze wederhoudt dien achterwaarts.

  • 1En gewisselijk, o Job! hoor toch mijn redenen, en neem al mijn woorden ter ore.

  • 28Jod. Hij zitte eenzaam, en zwijge stil, omdat Hij het hem opgelegd heeft.

  • 3En de ogen dergenen, die zien, zullen niet terugzien, en de oren dergenen, die horen, zullen opmerken.

  • 13En nadat deze zwegen, antwoordde Jakobus, zeggende: Mannen broeders, hoort mij.

  • 34Zeker, ik kon wel een grote menigte geweldiglijk onderdrukt hebben; maar de verachtste der huisgezinnen zou mij afgeschrikt hebben; zodat ik gewezen zou hebben, en ter deure niet uitgegaan zijn.

  • 24Leert mij, en ik zal zwijgen, en geeft mij te verstaan, waarin ik gedwaald heb.

  • 9Verlos mij van al mijn overtredingen; en stel mij niet tot een smaad des dwazen.