Job 13:5
Och, of gij gans stilzweegt! Dat zou ulieden voor wijsheid wezen.
Och, of gij gans stilzweegt! Dat zou ulieden voor wijsheid wezen.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
33Zo niet, hoor naar mij; zwijg, en ik zal u wijsheid leren.
27Wie wetenschap weet, houdt zijn woorden in; en een man van verstand is kostelijk van geest.
28Een dwaas zelfs, die zwijgt, zal wijs geacht worden, en die zijn lippen toesluit, verstandig.
6Hoort toch mijn verdediging, en merkt op de twistingen mijner lippen.
13Daarom zal de verstandige te dier tijd zwijgen, want het zal een boze tijd zijn.
5Maar gewisselijk, och, of God sprak, en Zijn lippen tegen u opende;
12Die verstandeloos is, veracht zijn naaste; maar een man van groot verstand zwijgt stil.
31Merk op, o Job! Hoor naar mij; zwijg, en ik zal spreken.
4Want gewisselijk, gij zijt leugenstoffeerders; gij allen zijt nietige medicijnmeesters.
13Houdt stil van mij, opdat ik spreke, en er ga over mij, wat het zij.
11Een zot laat zijn gansen geest uit, maar de wijze wederhoudt dien achterwaarts.
32Zo gij dwaselijk gehandeld hebt, met u te verheffen, en zo gij kwaad bedacht hebt, de hand op den mond!
3Zouden uw leugenen de lieden doen zwijgen, en zoudt gij spotten, en niemand u beschamen?
9De oversten hielden de woorden in, en leiden de hand op hun mond.
10De stem der vorsten verstak zich, en hun tong kleefde aan hun gehemelte.
30Doch indien een ander, die er zit, iets geopenbaard is, dat de eerste zwijge.
1Mijn zoon! merk op mijn wijsheid, neig uw oor tot mijn verstand;
2Opdat gij alle bedachtzaamheid behoudt, en uw lippen wetenschap bewaren.
17De woorden der wijzen moeten in stilheid aangehoord worden, meer dan het geroep desgenen, die over de zotten heerst.
19In de veelheid der woorden ontbreekt de overtreding niet; maar die zijn lippen wederhoudt, is kloek verstandig.
2Ik zeide: Ik zal mijn wegen bewaren, dat ik niet zondige met mijn tong; ik zal mijn mond met een breidel bewaren, terwijl de goddeloze nog tegenover mij is.
8Hebt gij den verborgen raad Gods gehoord, en hebt gij de wijsheid naar u getrokken?
9Wat weet gij, dat wij niet weten? Wat verstaat gij, dat bij ons niet is?
5Gij slechten! verstaat kloekzinnigheid, en gij zotten! verstaat met het hart.
35Dat Job niet met wetenschap gesproken heeft, en zijn woorden niet met kloek verstand geweest zijn.
5Ziet mij aan, en wordt verbaasd, en legt de hand op den mond.
19Wie is hij, die met mij twist? Wanneer ik nu zweeg, zo zou ik den geest geven.
16Zo er dan verstand bij u is, hoor dit; neig de oren tot de stem mijner woorden.
13Want nu zou ik nederliggen, en stil zijn; ik zou slapen, dan zou voor mij rust wezen;
20Maar de HEERE is in Zijn heiligen tempel. Zwijg voor Zijn aangezicht, gij ganse aarde!
18HEERE! laat mij niet beschaamd worden, want ik roep U aan; laat de goddelozen beschaamd worden, laat hen zwijgen in het graf.
9Spreek niet voor het oor van een zot, want hij zou het verstand uwer woorden verachten.
1Een zacht antwoord keert de grimmigheid af; maar een smartend woord doet den toorn oprijzen.
13Dat gij uw geest keert tegen God, en zulke redenen uit uw mond laat uitgaan.
33Wijsheid rust in het hart des verstandigen; maar wat in het binnenste der zotten is, wordt bekend.
21Zij hoorden mij aan, en wachtten, en zwegen op mijn raad.
5Het is beter te horen het bestraffen des wijzen, dan dat iemand hore het gezang der dwazen.
24Leert mij, en ik zal zwijgen, en geeft mij te verstaan, waarin ik gedwaald heb.
3Bestraffende door woorden, die niet baten, en door redenen, met dewelke hij geen voordeel doet?
4Vermoei u niet om rijk te worden; sta af van uw vernuft.
2Want gelijk de droom komt door veel bezigheid, alzo de stem des zots door de veelheid der woorden.
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester. O God mijns lofs! zwijg niet.
13Mem. Wie is de man, die lust heeft ten leven, die dagen liefheeft, om het goede te zien?
3Het is eer voor een man, van twist af te blijven; maar ieder dwaas zal er zich in mengen.
13Wie is wijs en verstandig onder u? die bewijze uit zijn goeden wandel zijn werken in zachtmoedige wijsheid.
2Hoort, gij wijzen, mijn woorden, en gij verstandigen, neigt de oren naar mij.
8Vaar niet haastelijk voort om te twisten, opdat gij misschien in het laatste daarvan niet wat doet, als uw naaste u zou mogen beschaamd hebben.
5Antwoord den zot naar zijn dwaasheid, opdat hij in zijn ogen niet wijs zij.
21Deze dingen doet gij, en Ik zwijg; gij meent, dat Ik te enenmale ben, gelijk gij; Ik zal u straffen, en zal het ordentelijk voor uw ogen stellen.
5Want uw mond leert uw ongerechtigheid, en gij hebt de tong der arglistigen verkoren.