Spreuken 30:32

Statenvertaling (States Bible)

Zo gij dwaselijk gehandeld hebt, met u te verheffen, en zo gij kwaad bedacht hebt, de hand op den mond!

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Job 21:5 : 5 Ziet mij aan, en wordt verbaasd, en legt de hand op den mond.
  • Job 40:4 : 4 Hebt gij een arm gelijk God? En kunt gij, gelijk Hij, met de stem donderen?
  • Spr 17:28 : 28 Een dwaas zelfs, die zwijgt, zal wijs geacht worden, en die zijn lippen toesluit, verstandig.
  • Spr 26:12 : 12 Hebt gij een man gezien, die wijs in zijn ogen is! Van een zot is meer verwachting dan van hem.
  • Pred 8:3-4 : 3 Haast u niet weg te gaan van zijn aangezicht; blijf niet staande in een kwade zaak; want al wat hem lust, doet hij. 4 Waar het woord des konings is, daar is heerschappij; en wie zal tot hem zeggen: Wat doet gij?
  • Micha 7:16-17 : 16 De heidenen zullen het zien, en beschaamd zijn, vanwege al hun macht; zij zullen de hand op den mond leggen; hun oren zullen doof worden. 17 Zij zullen het stof lekken, als de slang; als kruipende dieren der aarde, zullen zij zich beroeren uit hun sloten; zij zullen met vervaardheid komen tot den HEERE, onzen God, en zullen voor U vrezen.
  • Rom 3:19 : 19 Wij weten nu, dat al wat de wet zegt, zij dat spreekt tot degenen, die onder de wet zijn; opdat alle mond gestopt worde en de gehele wereld voor God verdoemelijk zij.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Job 29:9-10
    2 verzen
    75%

    9De oversten hielden de woorden in, en leiden de hand op hun mond.

    10De stem der vorsten verstak zich, en hun tong kleefde aan hun gehemelte.

  • 5Ziet mij aan, en wordt verbaasd, en legt de hand op den mond.

  • 3In den mond des dwazen is een roede des hoogmoeds; maar de lippen der wijzen bewaren hen.

  • 31Een windhond van goede lenden, of een bok; en een koning, die niet tegen te staan is.

  • 11Een zot laat zijn gansen geest uit, maar de wijze wederhoudt dien achterwaarts.

  • 2Laat u een vreemde prijzen, en niet uw mond; een onbekende, en niet uw lippen.

  • 18HEERE! laat mij niet beschaamd worden, want ik roep U aan; laat de goddelozen beschaamd worden, laat hen zwijgen in het graf.

  • 28Een dwaas zelfs, die zwijgt, zal wijs geacht worden, en die zijn lippen toesluit, verstandig.

  • 33Want de drukking der melk brengt boter voort, en de drukking van den neus brengt bloed voort, en de drukking des toorns brengt twist voort.

  • 19Uw mond slaat gij in het kwade, en uw tong koppelt bedrog.

  • 27En mijn hart verlokt is geweest in het verborgen, dat mijn hand mijn mond gekust heeft;

  • 5Och, of gij gans stilzweegt! Dat zou ulieden voor wijsheid wezen.

  • 29Jod. Hij steke zijn mond in het stof, zeggende: Misschien is er verwachting.

  • 6De lippen des zots komen in twist, en zijn mond roept naar slagen.

  • 24Doe de verkeerdheid des monds van u weg, en doe de verdraaidheid der lippen verre van u.

  • 6Want gelijk in de veelheid der dromen ijdelheden zijn, alzo in veel woorden; maar vrees gij God!

  • 13Dat gij uw geest keert tegen God, en zulke redenen uit uw mond laat uitgaan.

  • 4Hebt gij een arm gelijk God? En kunt gij, gelijk Hij, met de stem donderen?

  • 33Zo niet, hoor naar mij; zwijg, en ik zal u wijsheid leren.

  • 16Zo er dan verstand bij u is, hoor dit; neig de oren tot de stem mijner woorden.

  • 3Zouden uw leugenen de lieden doen zwijgen, en zoudt gij spotten, en niemand u beschamen?

  • Job 15:5-6
    2 verzen
    71%

    5Want uw mond leert uw ongerechtigheid, en gij hebt de tong der arglistigen verkoren.

    6Uw mond verdoemt u, en niet ik; en uw lippen getuigen tegen u.

  • 12De woorden van een wijzen mond zijn aangenaam; maar de lippen van een zot verslinden hemzelve.

  • 23Die zijn mond en zijn tong bewaart, bewaart zijn ziel van benauwdheden.

  • 5Ik heb gezegd tot de onzinnigen: Weest niet onzinnig; en tot de goddelozen: Verhoogt den hoorn niet.

  • 13Mem. Wie is de man, die lust heeft ten leven, die dagen liefheeft, om het goede te zien?

  • 15De luiaard verbergt zijn hand in den boezem, hij is te moede, om die weder tot zijn mond te brengen.

  • 2De tong der wijzen maakt de wetenschap goed; maar de mond der zotten stort overvloediglijk dwaasheid uit.

  • 23Een kloekzinnig mens bedekt de wetenschap; maar het hart der zotten roept dwaasheid uit.

  • 9Spreek niet voor het oor van een zot, want hij zou het verstand uwer woorden verachten.

  • 2Want gelijk de droom komt door veel bezigheid, alzo de stem des zots door de veelheid der woorden.

  • 30Hij sluit zijn ogen, om verkeerdheden te bedenken; zijn lippen bijtende, volbrengt hij het kwaad.

  • Spr 10:18-19
    2 verzen
    70%

    18Die den haat bedekt, is van valse lippen, en die een kwaad gerucht voortbrengt, is een zot.

    19In de veelheid der woorden ontbreekt de overtreding niet; maar die zijn lippen wederhoudt, is kloek verstandig.

  • 13Indien gij uw hart bereid hebt, zo breid uw handen tot Hem uit.

  • 8Vaar niet haastelijk voort om te twisten, opdat gij misschien in het laatste daarvan niet wat doet, als uw naaste u zou mogen beschaamd hebben.

  • 4Antwoord den zot naar zijn dwaasheid niet, opdat gij ook hem niet gelijk wordt.

  • 21Deze dingen doet gij, en Ik zwijg; gij meent, dat Ik te enenmale ben, gelijk gij; Ik zal u straffen, en zal het ordentelijk voor uw ogen stellen.

  • 5De zot vouwt zijn handen samen, en eet zijn eigen vlees.

  • 23Het hart eens wijzen maakt zijn mond verstandig, en zal op zijn lippen de lering vermeerderen.

  • 20Hebt gij een man gezien, die haastig in zijn woorden is? Van een zot is meer verwachting dan van hem.

  • 24Een luiaard verbergt de hand in den boezem, en hij zal ze niet weder aan zijn mond brengen.

  • 10Opdat degene, die het hoort, u niet smade; want uw kwaad gerucht zou niet afgekeerd worden.

  • 14De wijzen leggen wetenschap weg; maar den mond des dwazen is de verstoring nabij.

  • 31De mond des rechtvaardigen brengt overvloediglijk wijsheid voort; maar de tong der verkeerdheden zal uitgeroeid worden.

  • 3Doe nu dit, mijn zoon! en red u, dewijl gij in de hand uws naasten gekomen zijt; ga, onderwerp uzelven, en sterk uw naaste.

  • 18Want het is liefelijk, als gij die in uw binnenste bewaart; zij zullen samen op uw lippen gepast worden.