Spreuken 30:32
Zo gij dwaselijk gehandeld hebt, met u te verheffen, en zo gij kwaad bedacht hebt, de hand op den mond!
Zo gij dwaselijk gehandeld hebt, met u te verheffen, en zo gij kwaad bedacht hebt, de hand op den mond!
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
9De oversten hielden de woorden in, en leiden de hand op hun mond.
10De stem der vorsten verstak zich, en hun tong kleefde aan hun gehemelte.
5Ziet mij aan, en wordt verbaasd, en legt de hand op den mond.
3In den mond des dwazen is een roede des hoogmoeds; maar de lippen der wijzen bewaren hen.
31Een windhond van goede lenden, of een bok; en een koning, die niet tegen te staan is.
11Een zot laat zijn gansen geest uit, maar de wijze wederhoudt dien achterwaarts.
2Laat u een vreemde prijzen, en niet uw mond; een onbekende, en niet uw lippen.
18HEERE! laat mij niet beschaamd worden, want ik roep U aan; laat de goddelozen beschaamd worden, laat hen zwijgen in het graf.
28Een dwaas zelfs, die zwijgt, zal wijs geacht worden, en die zijn lippen toesluit, verstandig.
33Want de drukking der melk brengt boter voort, en de drukking van den neus brengt bloed voort, en de drukking des toorns brengt twist voort.
19Uw mond slaat gij in het kwade, en uw tong koppelt bedrog.
27En mijn hart verlokt is geweest in het verborgen, dat mijn hand mijn mond gekust heeft;
5Och, of gij gans stilzweegt! Dat zou ulieden voor wijsheid wezen.
29Jod. Hij steke zijn mond in het stof, zeggende: Misschien is er verwachting.
6De lippen des zots komen in twist, en zijn mond roept naar slagen.
24Doe de verkeerdheid des monds van u weg, en doe de verdraaidheid der lippen verre van u.
6Want gelijk in de veelheid der dromen ijdelheden zijn, alzo in veel woorden; maar vrees gij God!
13Dat gij uw geest keert tegen God, en zulke redenen uit uw mond laat uitgaan.
4Hebt gij een arm gelijk God? En kunt gij, gelijk Hij, met de stem donderen?
33Zo niet, hoor naar mij; zwijg, en ik zal u wijsheid leren.
16Zo er dan verstand bij u is, hoor dit; neig de oren tot de stem mijner woorden.
3Zouden uw leugenen de lieden doen zwijgen, en zoudt gij spotten, en niemand u beschamen?
5Want uw mond leert uw ongerechtigheid, en gij hebt de tong der arglistigen verkoren.
6Uw mond verdoemt u, en niet ik; en uw lippen getuigen tegen u.
12De woorden van een wijzen mond zijn aangenaam; maar de lippen van een zot verslinden hemzelve.
23Die zijn mond en zijn tong bewaart, bewaart zijn ziel van benauwdheden.
5Ik heb gezegd tot de onzinnigen: Weest niet onzinnig; en tot de goddelozen: Verhoogt den hoorn niet.
13Mem. Wie is de man, die lust heeft ten leven, die dagen liefheeft, om het goede te zien?
15De luiaard verbergt zijn hand in den boezem, hij is te moede, om die weder tot zijn mond te brengen.
2De tong der wijzen maakt de wetenschap goed; maar de mond der zotten stort overvloediglijk dwaasheid uit.
23Een kloekzinnig mens bedekt de wetenschap; maar het hart der zotten roept dwaasheid uit.
9Spreek niet voor het oor van een zot, want hij zou het verstand uwer woorden verachten.
2Want gelijk de droom komt door veel bezigheid, alzo de stem des zots door de veelheid der woorden.
30Hij sluit zijn ogen, om verkeerdheden te bedenken; zijn lippen bijtende, volbrengt hij het kwaad.
18Die den haat bedekt, is van valse lippen, en die een kwaad gerucht voortbrengt, is een zot.
19In de veelheid der woorden ontbreekt de overtreding niet; maar die zijn lippen wederhoudt, is kloek verstandig.
13Indien gij uw hart bereid hebt, zo breid uw handen tot Hem uit.
8Vaar niet haastelijk voort om te twisten, opdat gij misschien in het laatste daarvan niet wat doet, als uw naaste u zou mogen beschaamd hebben.
4Antwoord den zot naar zijn dwaasheid niet, opdat gij ook hem niet gelijk wordt.
21Deze dingen doet gij, en Ik zwijg; gij meent, dat Ik te enenmale ben, gelijk gij; Ik zal u straffen, en zal het ordentelijk voor uw ogen stellen.
5De zot vouwt zijn handen samen, en eet zijn eigen vlees.
23Het hart eens wijzen maakt zijn mond verstandig, en zal op zijn lippen de lering vermeerderen.
20Hebt gij een man gezien, die haastig in zijn woorden is? Van een zot is meer verwachting dan van hem.
24Een luiaard verbergt de hand in den boezem, en hij zal ze niet weder aan zijn mond brengen.
10Opdat degene, die het hoort, u niet smade; want uw kwaad gerucht zou niet afgekeerd worden.
14De wijzen leggen wetenschap weg; maar den mond des dwazen is de verstoring nabij.
31De mond des rechtvaardigen brengt overvloediglijk wijsheid voort; maar de tong der verkeerdheden zal uitgeroeid worden.
3Doe nu dit, mijn zoon! en red u, dewijl gij in de hand uws naasten gekomen zijt; ga, onderwerp uzelven, en sterk uw naaste.
18Want het is liefelijk, als gij die in uw binnenste bewaart; zij zullen samen op uw lippen gepast worden.