Spreuken 26:15

Statenvertaling (States Bible)

De luiaard verbergt zijn hand in den boezem, hij is te moede, om die weder tot zijn mond te brengen.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Spr 19:24 : 24 Een luiaard verbergt de hand in den boezem, en hij zal ze niet weder aan zijn mond brengen.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • 24Een luiaard verbergt de hand in den boezem, en hij zal ze niet weder aan zijn mond brengen.

  • Spr 26:13-14
    2 verzen
    81%

    13De luiaard zegt: Er is een felle leeuw op den weg, een leeuw is op de straten.

    14Een deur keert om op haar herre, alzo de luiaard op zijn bed.

  • Spr 21:25-26
    2 verzen
    80%

    25De begeerte des luiaards zal hem doden, want zijn handen weigeren te werken.

    26Den gansen dag begeert hij begeerlijke dingen; maar de rechtvaardige zal geven, en niet inhouden.

  • 15Luiheid doet in diepen slaap vallen; en een bedriegelijke ziel zal hongeren.

  • Spr 26:16-17
    2 verzen
    78%

    16De luiaard is wijzer in zijn ogen, dan zeven, die met rede antwoorden.

    17De voorbijgaande, die zich vertoornt in een twist, die hem niet aangaat, is gelijk die een hond bij de oren grijpt.

  • Spr 12:23-24
    2 verzen
    77%

    23Een kloekzinnig mens bedekt de wetenschap; maar het hart der zotten roept dwaasheid uit.

    24De hand der vlijtigen zal heersen; maar de bedriegers zullen onder cijns wezen.

  • 4De ziel des luiaards is begerig, doch er is niets; maar de ziel der vlijtigen zal vet gemaakt worden.

  • Spr 6:9-11
    3 verzen
    76%

    9Hoe lang zult gij, luiaard, nederliggen? Wanneer zult gij van uw slaap opstaan?

    10Een weinig slapens, een weinig sluimerens, een weinig handvouwens, al nederliggende;

    11Zo zal uw armoede u overkomen als een wandelaar, en uw gebrek als een gewapend man.

  • 27Een bedrieger zal zijn jachtvang niet braden; maar het kostelijk goed des mensen is des vlijtigen.

  • 9Ook die zich slap aanstelt in zijn werk, die is een broeder van een doorbrenger.

  • 19De weg des luiaards is als een doornheg; maar het pad der oprechten is wel gebaand.

  • Pred 4:5-6
    2 verzen
    75%

    5De zot vouwt zijn handen samen, en eet zijn eigen vlees.

    6Een hand vol met rust is beter, dan beide de vuisten vol met arbeid en kwelling des geestes.

  • 26Gelijk edik den tanden, en gelijk rook den ogen is zo is de luie dengenen, die hem uitzenden.

  • 4Om den winter zal de luiaard niet ploegen; daarom zal hij bedelen in den oogst, maar er zal niet zijn.

  • 18Door grote luiheid verzwakt het gebint, en door slapheid der handen wordt het huis doorlekkende.

  • 33Een weinig slapens, een weinig sluimerens, en weinig handvouwens, al nederliggende;

  • Spr 10:4-5
    2 verzen
    73%

    4Die met een bedriegelijke hand werkt, wordt arm; maar de hand der vlijtigen maakt rijk.

    5Die in den zomer vergadert, is een verstandig zoon; maar die in den oogst vast slaapt, is een zoon die beschaamd maakt.

  • 13De luiaard zegt: Er is een leeuw buiten; ik mocht op het midden der straten gedood worden!

  • 30Ik ging voorbij den akker eens luiaards, en voorbij den wijngaard van een verstandeloos mens;

  • Spr 16:26-27
    2 verzen
    72%

    26De ziel des arbeidzamen arbeidt voor zichzelven; want zijn mond buigt zich voor hem.

    27Een Belialsman graaft kwaad; en op zijn lippen is als brandend vuur.

  • 32Zo gij dwaselijk gehandeld hebt, met u te verheffen, en zo gij kwaad bedacht hebt, de hand op den mond!

  • 6Ga tot de mier, gij luiaard! zie haar wegen, en word wijs;

  • 9Gelijk een doorn gaat in de hand eens dronkaards, alzo is een spreuk in den mond der zotten.

  • 21Want een zuiper en vraat zal arm worden; en de sluimering doet verscheurde klederen dragen.

  • 26Maar zijn heer, antwoordende, zeide tot hem: Gij boze en luie dienstknecht! gij wist, dat ik maai, waar ik niet gezaaid heb, en van daar vergader, waar ik niet gestrooid heb.

  • 30Hij sluit zijn ogen, om verkeerdheden te bedenken; zijn lippen bijtende, volbrengt hij het kwaad.

  • 27Die een kuil graaft, zal er in vallen, en die een steen wentelt, op hem zal hij wederkeren.

  • 16Elkeen, die haar verbergt, zou den wind verbergen, en de olie zijner rechterhand, die roept.

  • 3Want hij vleit zichzelven in zijn ogen, als men zijn ongerechtigheid bevindt, die te haten is.

  • Job 20:12-13
    2 verzen
    68%

    12Indien het kwaad in zijn mond zoet is, hij dat verbergt, onder zijn tong,

    13Hij dat spaart, en hetzelve niet verlaat, maar dat in het midden van zijn gehemelte inhoudt;

  • 7Waarmede de maaier zijn hand niet vult, noch de garvenbinder zijn arm;

  • 18Die den haat bedekt, is van valse lippen, en die een kwaad gerucht voortbrengt, is een zot.

  • 23Hij zwerft heen en weder om brood, waar het zijn mag; hij weet, dat bij zijn hand gereed is de dag der duisternis.

  • 30Men doet een dief geen verachting aan, als hij steelt om zijn ziel te vullen, dewijl hij honger heeft;

  • 24Die met een dief deelt, haat zijn ziel; hij hoort een vloek, en hij geeft het niet te kennen.

  • 27Omdat hij zijn aangezicht met zijn vet bedekt heeft, en rimpelen gemaakt om de weekdarmen;

  • 5De gedachten des vlijtigen zijn alleen tot overschot; maar van een ieder, die haastig is, alleen tot gebrek.

  • 27En mijn hart verlokt is geweest in het verborgen, dat mijn hand mijn mond gekust heeft;