Spreuken 19:15

Statenvertaling (States Bible)

Luiheid doet in diepen slaap vallen; en een bedriegelijke ziel zal hongeren.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Spr 20:13 : 13 Heb den slaap niet lief, opdat gij niet arm wordt; open uw ogen, verzadig u met brood.
  • Spr 23:21 : 21 Want een zuiper en vraat zal arm worden; en de sluimering doet verscheurde klederen dragen.
  • Spr 6:9-9 : 9 Hoe lang zult gij, luiaard, nederliggen? Wanneer zult gij van uw slaap opstaan? 10 Een weinig slapens, een weinig sluimerens, een weinig handvouwens, al nederliggende;
  • 2 Thess 3:10 : 10 Want ook toen wij bij u waren, hebben wij u dit bevolen, dat, zo iemand niet wil werken, hij ook niet ete.
  • Spr 24:33 : 33 Een weinig slapens, een weinig sluimerens, en weinig handvouwens, al nederliggende;
  • Jes 56:10 : 10 Hun wachters zijn allen blind, zij weten niet; zij allen zijn stomme honden, zij kunnen niet bassen; zij zijn slaperig, zij liggen neder, zij hebben het sluimeren lief.
  • Rom 13:11-12 : 11 En dit zeg ik te meer, dewijl wij de gelegenheid des tijds weten, dat het de ure is, dat wij nu uit den slaap opwaken; want de zaligheid is ons nu nader, dan toen wij eerst geloofd hebben. 12 De nacht is voorbijgegaan, en de dag is nabij gekomen. Laat ons dan afleggen de werken der duisternis, en aandoen de wapenen des lichts.
  • Ef 5:14 : 14 Daarom zegt Hij: Ontwaakt, gij, die slaapt, en staat op uit de doden; en Christus zal over u lichten.
  • Spr 10:4-5 : 4 Die met een bedriegelijke hand werkt, wordt arm; maar de hand der vlijtigen maakt rijk. 5 Die in den zomer vergadert, is een verstandig zoon; maar die in den oogst vast slaapt, is een zoon die beschaamd maakt.
  • Spr 19:24 : 24 Een luiaard verbergt de hand in den boezem, en hij zal ze niet weder aan zijn mond brengen.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • 4De ziel des luiaards is begerig, doch er is niets; maar de ziel der vlijtigen zal vet gemaakt worden.

  • Spr 21:25-26
    2 verzen
    82%

    25De begeerte des luiaards zal hem doden, want zijn handen weigeren te werken.

    26Den gansen dag begeert hij begeerlijke dingen; maar de rechtvaardige zal geven, en niet inhouden.

  • Spr 19:23-24
    2 verzen
    81%

    23De vreze des HEEREN is ten leven; want men zal verzadigd zijnde vernachten; met het kwaad zal men niet bezocht worden.

    24Een luiaard verbergt de hand in den boezem, en hij zal ze niet weder aan zijn mond brengen.

  • Spr 6:9-11
    3 verzen
    81%

    9Hoe lang zult gij, luiaard, nederliggen? Wanneer zult gij van uw slaap opstaan?

    10Een weinig slapens, een weinig sluimerens, een weinig handvouwens, al nederliggende;

    11Zo zal uw armoede u overkomen als een wandelaar, en uw gebrek als een gewapend man.

  • 16Die het gebod bewaart, bewaart zijn ziel; die zijn wegen veracht, zal sterven.

  • 9Ook die zich slap aanstelt in zijn werk, die is een broeder van een doorbrenger.

  • Spr 26:13-16
    4 verzen
    80%

    13De luiaard zegt: Er is een felle leeuw op den weg, een leeuw is op de straten.

    14Een deur keert om op haar herre, alzo de luiaard op zijn bed.

    15De luiaard verbergt zijn hand in den boezem, hij is te moede, om die weder tot zijn mond te brengen.

    16De luiaard is wijzer in zijn ogen, dan zeven, die met rede antwoorden.

  • 19De weg des luiaards is als een doornheg; maar het pad der oprechten is wel gebaand.

  • 18Door grote luiheid verzwakt het gebint, en door slapheid der handen wordt het huis doorlekkende.

  • 27Een bedrieger zal zijn jachtvang niet braden; maar het kostelijk goed des mensen is des vlijtigen.

  • 13Heb den slaap niet lief, opdat gij niet arm wordt; open uw ogen, verzadig u met brood.

  • Spr 24:33-34
    2 verzen
    78%

    33Een weinig slapens, een weinig sluimerens, en weinig handvouwens, al nederliggende;

    34Zo zal uw armoede u overkomen, als een wandelaar, en uw velerlei gebrek als een gewapend man.

  • 24De hand der vlijtigen zal heersen; maar de bedriegers zullen onder cijns wezen.

  • Spr 10:3-5
    3 verzen
    77%

    3De HEERE laat de ziel des rechtvaardigen niet hongeren; maar de have der goddelozen stoot Hij weg.

    4Die met een bedriegelijke hand werkt, wordt arm; maar de hand der vlijtigen maakt rijk.

    5Die in den zomer vergadert, is een verstandig zoon; maar die in den oogst vast slaapt, is een zoon die beschaamd maakt.

  • 4Om den winter zal de luiaard niet ploegen; daarom zal hij bedelen in den oogst, maar er zal niet zijn.

  • 13De luiaard zegt: Er is een leeuw buiten; ik mocht op het midden der straten gedood worden!

  • 21Want een zuiper en vraat zal arm worden; en de sluimering doet verscheurde klederen dragen.

  • Pred 5:12-13
    2 verzen
    75%

    12Er is een kwaad, dat krankheid aanbrengt, hetwelk ik zag onder de zon: rijkdom van zijn bezitters bewaard tot hun eigen kwaad.

    13Of de rijkdom zelf vergaat door een moeilijke bezigheid; en hij gewint een zoon, en er is niet met al in zijn hand.

  • 2Het is tevergeefs, dat gijlieden vroeg opstaat, laat opblijft, eet brood der smarten; het is alzo, dat Hij het Zijn beminden als in den slaap geeft.

  • Spr 28:19-20
    2 verzen
    75%

    19Die zijn land bouwt, zal met brood verzadigd worden; maar die ijdele mensen volgt, zal met armoede verzadigd worden.

    20Een gans getrouw man zal veelvoudig zijn in zegeningen; maar die haastig is, om rijk te worden, zal niet onschuldig wezen.

  • 30Ik ging voorbij den akker eens luiaards, en voorbij den wijngaard van een verstandeloos mens;

  • 26Gelijk edik den tanden, en gelijk rook den ogen is zo is de luie dengenen, die hem uitzenden.

  • 6Ga tot de mier, gij luiaard! zie haar wegen, en word wijs;

  • 14Huis en goed is een erve van de vaderen; maar een verstandige vrouw is van den HEERE.

  • 2Ook is de ziel zonder wetenschap niet goed; en die met de voeten haastig is, zondigt.

  • 29Wie zijn huis beroert, zal wind erven; en de dwaas zal een knecht zijn desgenen, die wijs van hart is.

  • 27Tsade. Zij beschouwt de gangen van haar huis; en het brood der luiheid eet zij niet.

  • 11Goed, van ijdelheid gekomen, zal verminderd worden; maar die met de hand vergadert, zal het vermeerderen.

  • 26De ziel des arbeidzamen arbeidt voor zichzelven; want zijn mond buigt zich voor hem.

  • 5De gedachten des vlijtigen zijn alleen tot overschot; maar van een ieder, die haastig is, alleen tot gebrek.

  • 19En ik zal tot mijn ziel zeggen: Ziel! gij hebt vele goederen, die opgelegd zijn voor vele jaren, neem rust, eet, drink, wees vrolijk.

  • 11Die zijn land bouwt, zal van brood verzadigd worden; maar die ijdele mensen volgt, is verstandeloos.

  • 4Laat uw ogen geen slaap toe, noch uw oogleden sluimering.

  • 23Het ploegen der armen geeft veelheid der spijze; maar daar is een, die verteerd wordt door gebrek van oordeel.

  • 16Een mens, die van den weg des verstands afdwaalt, zal in de gemeente der doden rusten.

  • 5Doornen en strikken, zijn in den weg des verkeerden; die zijn ziel bewaart, zal zich verre van die maken.

  • 25De rechtvaardige eet tot verzadiging zijner ziel toe; maar de buik der goddelozen zal gebrek hebben.

  • 16Het werk des rechtvaardigen is ten leven; de inkomst des goddelozen is ter zonde.