Spreuken 13:4
De ziel des luiaards is begerig, doch er is niets; maar de ziel der vlijtigen zal vet gemaakt worden.
De ziel des luiaards is begerig, doch er is niets; maar de ziel der vlijtigen zal vet gemaakt worden.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
15Luiheid doet in diepen slaap vallen; en een bedriegelijke ziel zal hongeren.
16Die het gebod bewaart, bewaart zijn ziel; die zijn wegen veracht, zal sterven.
25De begeerte des luiaards zal hem doden, want zijn handen weigeren te werken.
26Den gansen dag begeert hij begeerlijke dingen; maar de rechtvaardige zal geven, en niet inhouden.
3De HEERE laat de ziel des rechtvaardigen niet hongeren; maar de have der goddelozen stoot Hij weg.
4Die met een bedriegelijke hand werkt, wordt arm; maar de hand der vlijtigen maakt rijk.
5Die in den zomer vergadert, is een verstandig zoon; maar die in den oogst vast slaapt, is een zoon die beschaamd maakt.
27Een bedrieger zal zijn jachtvang niet braden; maar het kostelijk goed des mensen is des vlijtigen.
4Om den winter zal de luiaard niet ploegen; daarom zal hij bedelen in den oogst, maar er zal niet zijn.
24De hand der vlijtigen zal heersen; maar de bedriegers zullen onder cijns wezen.
5De gedachten des vlijtigen zijn alleen tot overschot; maar van een ieder, die haastig is, alleen tot gebrek.
13De luiaard zegt: Er is een felle leeuw op den weg, een leeuw is op de straten.
14Een deur keert om op haar herre, alzo de luiaard op zijn bed.
15De luiaard verbergt zijn hand in den boezem, hij is te moede, om die weder tot zijn mond te brengen.
16De luiaard is wijzer in zijn ogen, dan zeven, die met rede antwoorden.
24Een luiaard verbergt de hand in den boezem, en hij zal ze niet weder aan zijn mond brengen.
9Ook die zich slap aanstelt in zijn werk, die is een broeder van een doorbrenger.
19De weg des luiaards is als een doornheg; maar het pad der oprechten is wel gebaand.
9Hoe lang zult gij, luiaard, nederliggen? Wanneer zult gij van uw slaap opstaan?
10Een weinig slapens, een weinig sluimerens, een weinig handvouwens, al nederliggende;
11Zo zal uw armoede u overkomen als een wandelaar, en uw gebrek als een gewapend man.
11Goed, van ijdelheid gekomen, zal verminderd worden; maar die met de hand vergadert, zal het vermeerderen.
12De uitgestelde hoop krenkt het hart; maar de begeerte, die komt, is een boom des levens.
26De ziel des arbeidzamen arbeidt voor zichzelven; want zijn mond buigt zich voor hem.
25De rechtvaardige eet tot verzadiging zijner ziel toe; maar de buik der goddelozen zal gebrek hebben.
13De luiaard zegt: Er is een leeuw buiten; ik mocht op het midden der straten gedood worden!
18Door grote luiheid verzwakt het gebint, en door slapheid der handen wordt het huis doorlekkende.
7Er is een, die zichzelven rijk maakt, en niet met al heeft, en een, die zichzelven arm maakt, en heeft veel goed.
19Die zijn land bouwt, zal met brood verzadigd worden; maar die ijdele mensen volgt, zal met armoede verzadigd worden.
20Een gans getrouw man zal veelvoudig zijn in zegeningen; maar die haastig is, om rijk te worden, zal niet onschuldig wezen.
26Gelijk edik den tanden, en gelijk rook den ogen is zo is de luie dengenen, die hem uitzenden.
13Heb den slaap niet lief, opdat gij niet arm wordt; open uw ogen, verzadig u met brood.
21Want een zuiper en vraat zal arm worden; en de sluimering doet verscheurde klederen dragen.
33Een weinig slapens, een weinig sluimerens, en weinig handvouwens, al nederliggende;
34Zo zal uw armoede u overkomen, als een wandelaar, en uw velerlei gebrek als een gewapend man.
11Die zijn land bouwt, zal van brood verzadigd worden; maar die ijdele mensen volgt, is verstandeloos.
30Ik ging voorbij den akker eens luiaards, en voorbij den wijngaard van een verstandeloos mens;
23Het ploegen der armen geeft veelheid der spijze; maar daar is een, die verteerd wordt door gebrek van oordeel.
19De begeerte, die geschiedt, is zoet voor de ziel; maar het is den zotten een gruwel van het kwade af te wijken.
23In allen smartelijke arbeid is overschot; maar het woord der lippen strekt alleen tot gebrek.
12Er is een kwaad, dat krankheid aanbrengt, hetwelk ik zag onder de zon: rijkdom van zijn bezitters bewaard tot hun eigen kwaad.
7Al de arbeid des mensen is voor zijn mond; en nochtans wordt de begeerlijkheid niet vervuld.
6Ga tot de mier, gij luiaard! zie haar wegen, en word wijs;
25Die grootmoedig is, verwekt gekijf; maar die op den HEERE vertrouwt, zal vet worden.
22Die zich haast naar goed, is een man van een boos oog; maar hij weet niet, dat het gebrek hem overkomen zal.
5De zot vouwt zijn handen samen, en eet zijn eigen vlees.
21Alzo is het met dien, die zichzelven schatten vergadert, en niet rijk is in God.
16Het werk des rechtvaardigen is ten leven; de inkomst des goddelozen is ter zonde.
16Die den arme verdrukt, om het zijne te vermeerderen, en den rijke geeft, komt zekerlijk tot gebrek.
24Er is een, die uitstrooit, denwelken nog meer toegedaan wordt; en een, die meer inhoudt dan recht is, maar het is tot gebrek.