Spreuken 10:16
Het werk des rechtvaardigen is ten leven; de inkomst des goddelozen is ter zonde.
Het werk des rechtvaardigen is ten leven; de inkomst des goddelozen is ter zonde.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
18De goddeloze doet een vals werk; maar voor degene, die gerechtigheid zaait, is trouwe loon.
19Alzo is de gerechtigheid ten leven, gelijk die het kwade najaagt, naar zijn dood jaagt.
30De vrucht des rechtvaardigen is een boom des levens; en wie zielen vangt, is wijs.
31Ziet, den rechtvaardige wordt vergolden op de aarde, hoeveel te meer den goddeloze en zondaar!
12De goddeloze begeert het net der bozen; maar de wortel der rechtvaardigen zal uitgeven.
2Schatten der goddeloosheid doen geen nut; maar de gerechtigheid redt van den dood.
3De HEERE laat de ziel des rechtvaardigen niet hongeren; maar de have der goddelozen stoot Hij weg.
4Die met een bedriegelijke hand werkt, wordt arm; maar de hand der vlijtigen maakt rijk.
10Zegt den rechtvaardige, dat het hem wel gaan zal; dat zij de vrucht hunner werken zullen eten.
11Wee den goddeloze, het zal hem kwalijk gaan, want de vergelding zijner handen zal hem geschieden.
6De gerechtigheid bewaart den oprechte van weg; maar de goddeloosheid zal den zondaar omkeren.
28De hoop der rechtvaardigen is blijdschap; maar de verwachting der goddelozen zal vergaan.
29De weg des HEEREN is voor den oprechte sterkte; maar voor de werkers der ongerechtigheid verstoring.
30De rechtvaardige zal in eeuwigheid niet bewogen worden; maar de goddelozen zullen de aarde niet bewonen.
21Het kwaad zal de zondaars vervolgen; maar den rechtvaardige zal men goed vergelden.
22De goede zal zijner kinders kinderen doen erven; maar het vermogen des zondaars is voor de rechtvaardige weggelegd.
23De begeerte der rechtvaardigen is alleenlijk het goede; maar de verwachting der goddelozen is verbolgenheid.
28In het pad der gerechtigheid is het leven; en in den weg van haar voetpad is de dood niet.
4Goed doet geen nut ten dage der verbolgenheid; maar de gerechtigheid redt van den dood.
5De gerechtigheid des oprechten maakt zijn weg recht; maar de goddeloze valt door zijn goddeloosheid.
6De gerechtigheid der vromen zal hen redden; maar de trouwelozen worden gevangen in hun verkeerdheid.
11Goed, van ijdelheid gekomen, zal verminderd worden; maar die met de hand vergadert, zal het vermeerderen.
26De rechtvaardige is voortreffelijker dan zijn naaste; maar de weg der goddelozen doet hen dwalen.
17Het pad tot het leven is desgenen die de tucht bewaart; maar die de bestraffing verlaat, doet dwalen.
32De goddeloze zal heengedreven worden in zijn kwaad; maar de rechtvaardige betrouwt zelfs in zijn dood.
6In het huis des rechtvaardigen is een grote schat; maar in des goddelozen inkomst is beroerte.
7De verwoesting der goddelozen zal hen doorsnijden, omdat zij weigeren recht te doen.
16Teth. Het weinige, dat de rechtvaardige heeft, is beter dan de overvloed veler goddelozen.
6Zegeningen zijn op het hoofd des rechtvaardigen; maar het geweld bedekt den mond der goddelozen.
23In allen smartelijke arbeid is overschot; maar het woord der lippen strekt alleen tot gebrek.
25Er is een weg, die iemand recht schijnt; maar het laatste van dien zijn wegen des doods.
26De ziel des arbeidzamen arbeidt voor zichzelven; want zijn mond buigt zich voor hem.
8Want die in zijn eigen vlees zaait, zal uit het vlees verderfenis maaien; maar die in den Geest zaait, zal uit den Geest het eeuwige leven maaien.
19De weg des luiaards is als een doornheg; maar het pad der oprechten is wel gebaand.
15Het is den rechtvaardige een blijdschap recht te doen; maar voor de werkers der ongerechtigheid is het verschrikking.
15Des rijken goed is een stad zijner sterkte; de armoede der geringen is hun verstoring.
28Wie op zijn rijkdom vertrouwt, die zal vallen; maar de rechtvaardigen zullen groenen als loof.
11De mond des rechtvaardigen is een springader des levens; maar het geweld bedekt den mond der goddelozen.
9Het licht der rechtvaardigen zal zich verblijden; maar de lamp der goddelozen zal uitgeblust worden.
16Als de goddelozen velen worden, wordt de overtreding veel; maar de rechtvaardigen zullen hun val aanzien.
20Te allen dage doet de goddeloze zichzelven weedom aan; en weinige jaren in getal zijn voor den tiran weggelegd.
10Die de oprechten doet dwalen op een kwaden weg, zal zelf in zijn gracht vallen; maar de vromen zullen het goede beerven.
21Die rechtvaardigheid en weldadigheid najaagt, zal het leven, rechtvaardigheid en eer vinden.
15Goed verstand geeft aangenaamheid; maar de weg der trouwelozen is streng.
17De baan der oprechten is van het kwaad af te wijken; hij behoedt zijn ziel, die zijn weg bewaart.
12Er is een weg, die iemand recht schijnt; maar het laatste van dien zijn wegen des doods.
5Der rechtvaardigen gedachten zijn recht; der goddelozen raadslagen zijn bedrog.
8Beter is een weinig met gerechtigheid, dan de veelheid der inkomsten zonder recht.
18Als de rechtvaardige afkeert van zijn gerechtigheid, en doet onrecht, zo zal hij daarin sterven.
6In de overtreding eens bozen mans is een strik; maar de rechtvaardige juicht en is blijde.