Spreuken 16:17
De baan der oprechten is van het kwaad af te wijken; hij behoedt zijn ziel, die zijn weg bewaart.
De baan der oprechten is van het kwaad af te wijken; hij behoedt zijn ziel, die zijn weg bewaart.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
20Opdat gij wandelt op den weg der goeden, en houdt de paden der rechtvaardigen.
24De weg des levens is den verstandige naar boven; opdat hij afwijke van de hel, beneden.
6De gerechtigheid bewaart den oprechte van weg; maar de goddeloosheid zal den zondaar omkeren.
5Doornen en strikken, zijn in den weg des verkeerden; die zijn ziel bewaart, zal zich verre van die maken.
14Kom niet op het pad der goddelozen, en treed niet op den weg der bozen.
15Verwerp dien, ga er niet door; wijk er van, en ga voorbij.
18Hovaardigheid is voor de verbreking, en hoogheid des geestes voor den val.
26Weeg den gang uws voets, en laat al uw wegen wel gevestigd zijn.
27Wijk niet ter rechter hand of ter linkerhand, wend uw voet af van het kwade.
17Het pad tot het leven is desgenen die de tucht bewaart; maar die de bestraffing verlaat, doet dwalen.
9Die in oprechtheid wandelt, wandelt zeker; maar die zijn wegen verkeert, zal bekend worden.
11Zo zal de bedachtzaamheid over u de wacht houden, de verstandigheid zal u behoeden;
12Om u te redden van den kwaden weg, van den man, die verkeerdheden spreekt;
13Van degenen, die de paden der oprechtheid verlaten, om te gaan in de wegen der duisternis;
8Opdat zij de paden des rechts houden; en Hij zal den weg Zijner gunstgenoten bewaren.
9Dan zult gij verstaan gerechtigheid, en recht, en billijkheden, en alle goed pad.
15Mijn zoon! wandel niet met hen op den weg; weer uw voet van hun pad.
19Alzo is de gerechtigheid ten leven, gelijk die het kwade najaagt, naar zijn dood jaagt.
16Die het gebod bewaart, bewaart zijn ziel; die zijn wegen veracht, zal sterven.
3De oprechtheid der oprechten leidt hen; maar de verkeerdheid der trouwelozen verstoort hen.
18Die oprecht wandelt, zal behouden worden; maar die zich verkeerdelijk gedraagt in twee wegen, zal in den enen vallen.
8Die verstand bekomt, heeft zijn ziel lief; hij neemt de verstandigheid waar, om het goede te vinden.
12Er is een weg, die iemand recht schijnt; maar het laatste van dien zijn wegen des doods.
25Er is een weg, die iemand recht schijnt; maar het laatste van dien zijn wegen des doods.
28In het pad der gerechtigheid is het leven; en in den weg van haar voetpad is de dood niet.
15Goed verstand geeft aangenaamheid; maar de weg der trouwelozen is streng.
29De weg des HEEREN is voor den oprechte sterkte; maar voor de werkers der ongerechtigheid verstoring.
29Een goddeloos man sterkt zich in zijn aangezicht; maar de oprechte, die maakt zijn weg vast.
9Het hart des mensen overdenkt zijn weg; maar de HEERE stiert zijn gang.
13Mem. Wie is de man, die lust heeft ten leven, die dagen liefheeft, om het goede te zien?
14Nun. Bewaar uw tong van het kwaad, en uw lippen van bedrog te spreken.
15De slechte gelooft alle woord; maar de kloekzinnige merkt op zijn gang.
16De wijze vreest, en wijkt van het kwade; maar de zot is oplopende toornig, en zorgeloos.
6De arme, wandelende in zijn oprechtheid, is beter, dan die verkeerd is van wegen, al is hij rijk.
7Het pad des rechtvaardigen is geheel effen, den gang des rechtvaardigen weegt Gij recht.
7Zijt niet wijs in uw ogen; vrees den HEERE, en wijk van het kwade.
16Hoeveel beter is het wijsheid te bekomen, dan uitgegraven goud, en uitnemender, verstand te bekomen, dan zilver!
6Verlaat de slechtigheden, en leeft; en treedt in den weg des verstands.
5De gerechtigheid des oprechten maakt zijn weg recht; maar de goddeloze valt door zijn goddeloosheid.
26De rechtvaardige is voortreffelijker dan zijn naaste; maar de weg der goddelozen doet hen dwalen.
7De HEERE zal u bewaren van alle kwaad; uw ziel zal Hij bewaren.
27Samech. Wijk af van het kwade, en doe het goede, en woon in eeuwigheid.
27Maar als de goddeloze zich bekeert van zijn goddeloosheid, die hij gedaan heeft, en doet recht en gerechtigheid, die zal zijn ziel in het leven behouden;
19De weg des luiaards is als een doornheg; maar het pad der oprechten is wel gebaand.
10Die de oprechten doet dwalen op een kwaden weg, zal zelf in zijn gracht vallen; maar de vromen zullen het goede beerven.
2Die in zijn oprechtheid wandelt, vreest den HEERE; maar die afwijkt in zijn wegen, veracht Hem.
25Laat uw hart tot haar wegen niet wijken, dwaalt niet op haar paden.
16Een mens, die van den weg des verstands afdwaalt, zal in de gemeente der doden rusten.
6Door goedertierenheid en trouw wordt de misdaad verzoend; en door de vreze des HEEREN wijkt men af van het kwade.
2Ook is de ziel zonder wetenschap niet goed; en die met de voeten haastig is, zondigt.