Spreuken 4:26
Weeg den gang uws voets, en laat al uw wegen wel gevestigd zijn.
Weeg den gang uws voets, en laat al uw wegen wel gevestigd zijn.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
25Laat uw ogen rechtuit zien, en uw oogleden zich recht voor u heen houden.
27Wijk niet ter rechter hand of ter linkerhand, wend uw voet af van het kwade.
4Aangaande de handelingen des mensen, ik heb mij, naar het woord Uwer lippen, gewacht voor de paden des inbrekers;
5Houdende mijn gangen in Uw sporen, opdat mijn voetstappen niet zouden wankelen.
5Vertrouw op den HEERE met uw ganse hart, en steun op uw verstand niet.
6Ken Hem in al uw wegen, en Hij zal uw paden recht maken.
11Ik onderwijs u in den weg der wijsheid; ik doe u treden in de rechte sporen.
12In uw gaan zal uw tred niet benauwd worden, en indien gij loopt, zult gij niet struikelen.
13Grijp de tucht aan, laat niet af; bewaar ze, want zij is uw leven.
14Kom niet op het pad der goddelozen, en treed niet op den weg der bozen.
15Verwerp dien, ga er niet door; wijk er van, en ga voorbij.
13En maakt rechte paden voor uw voeten, opdat hetgeen kreupel is, niet verdraaid worde, maar dat het veelmeer genezen worde.
23Dan zult gij uw weg zeker wandelen, en gij zult uw voet niet stoten.
20Opdat gij wandelt op den weg der goeden, en houdt de paden der rechtvaardigen.
6Opdat gij het pad des levens niet zoudt wegen, zijn haar gangen ongestadig, dat gij het niet merkt.
3Wentel uw werken op den HEERE, en uw gedachten zullen bevestigd worden.
15Mijn zoon! wandel niet met hen op den weg; weer uw voet van hun pad.
16Want hun voeten lopen ten boze; en zij haasten zich om bloed te storten.
26Want de HEERE zal met uw hoop wezen, en Hij zal uw voet bewaren van gevangen te worden.
21Want eens iegelijks wegen zijn voor de ogen des HEEREN, en Hij weegt al zijne gangen.
7Het pad des rechtvaardigen is geheel effen, den gang des rechtvaardigen weegt Gij recht.
9Dan zult gij verstaan gerechtigheid, en recht, en billijkheden, en alle goed pad.
9Die in oprechtheid wandelt, wandelt zeker; maar die zijn wegen verkeert, zal bekend worden.
9Het hart des mensen overdenkt zijn weg; maar de HEERE stiert zijn gang.
11Aan Zijn gang heeft mijn voet vastgehouden; Zijn weg heb ik bewaard, en ben niet afgeweken.
133Maak mijn voetstappen vast in Uw Woord, en laat geen ongerechtigheid over mij heersen.
19Hoor gij, mijn zoon! en word wijs, en richt uw hart op den weg.
23Mem. De gangen deszelven mans worden van den HEERE bevestigd; en Hij heeft lust aan zijn weg.
25Laat uw hart tot haar wegen niet wijken, dwaalt niet op haar paden.
37Gij hebt mijn voetstap ruim gemaakt onder mij; en mijn enkelen hebben niet gewankeld.
18Maar het pad der rechtvaardigen is gelijk een schijnend licht, voortgaande en lichtende tot den vollen dag toe.
19De weg der goddelozen is als donkerheid, zij weten niet, waarover zij struikelen zullen.
20Mijn zoon! merk op mijn woorden, neig uw oor tot mijn redenen.
21Laat ze niet wijken van uw ogen, behoud ze in het midden uws harten.
36Ook hebt Gij mij het schild Uws heils gegeven, en Uw rechterhand heeft mij ondersteund, en Uw zachtmoedigheid heeft mij groot gemaakt.
17De baan der oprechten is van het kwaad af te wijken; hij behoedt zijn ziel, die zijn weg bewaart.
27Gij legt ook mijn voeten in den stok, en neemt waar al mijn paden; Gij drukt U in de wortelen mijner voeten,
21En uw oren zullen horen het woord desgenen, die achter u is, zeggende: Dit is de weg, wandelt in denzelven; als gij zoudt afwijken ter rechterhand of ter linkerhand.
105Nun. Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad.
24De treden des mans zijn van den HEERE; hoe zou dan een mens zijn weg verstaan?
4Ziet Hij niet mijn wegen, en telt Hij niet al mijn treden?
26Mijn zoon! geef mij uw hart, en laat uw ogen mijn wegen bewaren.
1Wees niet te snel met uw mond, en uw hart haaste niet een woord voort te brengen voor Gods aangezicht; want God is in den hemel, en gij zijt op de aarde; daarom laat uw woorden weinig zijn.
15Hebt gij het pad der eeuw waargenomen, dat de ongerechtige lieden betreden hebben?
7Dit is die stad, die opspringt van vreugde, die zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en buiten mij is geen meer; hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! Een ieder, die daardoor trekt, zal ze aanfluiten, hij zal zijn hand bewegen.
22Als gij wandelt, zal dat u geleiden; als gij nederligt, zal het over u de wacht houden; als gij wakker wordt, zal hetzelve met u spreken.
15De slechte gelooft alle woord; maar de kloekzinnige merkt op zijn gang.
37Wend mijn ogen af, dat zij geen ijdelheid zien; maak mij levend door Uw wegen.
31De wet zijns Gods is in zijn hart; zijn gangen zullen niet slibberen.
101Ik heb mijn voeten geweerd van alle kwade paden, opdat ik Uw woord zou onderhouden.