Spreuken 20:24

Statenvertaling (States Bible)

De treden des mans zijn van den HEERE; hoe zou dan een mens zijn weg verstaan?

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Spr 16:9 : 9 Het hart des mensen overdenkt zijn weg; maar de HEERE stiert zijn gang.
  • Jer 10:23 : 23 Ik weet, o HEERE! dat bij den mens zijn weg niet is; het is niet bij een man, die wandelt, dat hij zijn gang richte.
  • Ps 25:4 : 4 Daleth. HEERE! maak mij Uw wegen bekend, leer mij Uw paden.
  • Ps 25:12 : 12 Mem. Wie is de man, die den HEERE vreest? Hij zal hem onderwijzen in den weg, dien hij zal hebben te verkiezen.
  • Spr 14:8 : 8 De wijsheid des kloekzinnigen is zijn weg te verstaan; maar dwaasheid der zotten is bedriegerij.
  • Hand 17:28 : 28 Want in Hem leven wij, en bewegen ons, en zijn wij; gelijk ook enigen van uw poeten gezegd hebben: Want wij zijn ook Zijn geslacht.
  • Ps 37:23 : 23 Mem. De gangen deszelven mans worden van den HEERE bevestigd; en Hij heeft lust aan zijn weg.
  • Dan 5:23 : 23 Maar gij hebt u verheven tegen den Heere des hemels, en men heeft de vaten van Zijn huis voor u gebracht, en gij, en uw geweldigen, uw vrouwen, en uw bijwijven hebben wijn uit dezelve gedronken, en de goden van zilver en goud, koper, ijzer, hout en steen, die niet zien, noch horen, noch weten, hebt gij geprezen; maar dien God, in Wiens hand uw adem is, en bij Wien al uw paden zijn, hebt gij niet verheerlijkt.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Jer 10:23-24
    2 verzen
    81%

    23Ik weet, o HEERE! dat bij den mens zijn weg niet is; het is niet bij een man, die wandelt, dat hij zijn gang richte.

    24Kastijd mij, HEERE! doch met mate; niet in Uw toorn, opdat Gij mij niet te niet maakt.

  • 21Want eens iegelijks wegen zijn voor de ogen des HEEREN, en Hij weegt al zijne gangen.

  • 9Het hart des mensen overdenkt zijn weg; maar de HEERE stiert zijn gang.

  • 21Want Zijn ogen zijn op ieders wegen, en Hij ziet al zijn treden.

  • 23Mem. De gangen deszelven mans worden van den HEERE bevestigd; en Hij heeft lust aan zijn weg.

  • Spr 21:1-2
    2 verzen
    75%

    1Des konings hart is in de hand des HEEREN als waterbeken. Hij neigt het tot al wat Hij wil.

    2Alle weg des mensen is recht in zijn ogen; maar de HEERE weegt de harten.

  • Spr 19:2-3
    2 verzen
    74%

    2Ook is de ziel zonder wetenschap niet goed; en die met de voeten haastig is, zondigt.

    3De dwaasheid des mensen zal zijn weg verkeren; en zijn hart zal zich tegen den HEERE vergrammen.

  • 12Er is een weg, die iemand recht schijnt; maar het laatste van dien zijn wegen des doods.

  • Spr 16:1-3
    3 verzen
    73%

    1De mens heeft schikkingen des harten; maar het antwoord der tong is van den HEERE.

    2Alle wegen des mans zijn zuiver in zijn ogen; maar de HEERE weegt de geesten.

    3Wentel uw werken op den HEERE, en uw gedachten zullen bevestigd worden.

  • 23God verstaat haar weg, en Hij weet haar plaats.

  • 8De weg des mensen is gans verkeerd en vreemd; maar het werk des zuiveren is recht.

  • Spr 3:5-6
    2 verzen
    73%

    5Vertrouw op den HEERE met uw ganse hart, en steun op uw verstand niet.

    6Ken Hem in al uw wegen, en Hij zal uw paden recht maken.

  • 26Weeg den gang uws voets, en laat al uw wegen wel gevestigd zijn.

  • 25Er is een weg, die iemand recht schijnt; maar het laatste van dien zijn wegen des doods.

  • 7Want hij weet niet, wat er geschieden zal; want wie zal het hem te kennen geven, wanneer het geschieden zal?

  • 6Opdat gij het pad des levens niet zoudt wegen, zijn haar gangen ongestadig, dat gij het niet merkt.

  • 20Dat gij dat brengen zoudt tot zijn pale, en dat gij merken zoudt de paden zijns huizes?

  • 4Ziet Hij niet mijn wegen, en telt Hij niet al mijn treden?

  • 19De weg der goddelozen is als donkerheid, zij weten niet, waarover zij struikelen zullen.

  • 5Houdende mijn gangen in Uw sporen, opdat mijn voetstappen niet zouden wankelen.

  • 9Efraim! wat heb Ik meer met de afgoden te doen? Ik heb hem verhoord, en zal op hem zien; Ik zal hem zijn als een groenende denneboom; uw vrucht is uit Mij gevonden. [ (Hosea 14:10) Wie is wijs? die versta deze dingen; wie is verstandig? die bekenne ze; want des HEEREN wegen zijn recht, en de rechtvaardigen zullen daarin wandelen, maar de overtreders zullen daarin vallen. ]

  • 24De weg des levens is den verstandige naar boven; opdat hij afwijke van de hel, beneden.

  • 21In het hart des mans zijn veel gedachten; maar de raad des HEEREN, die zal bestaan.

  • 4De mens is der ijdelheid gelijk; zijn dagen zijn als een voorbijgaande schaduw.

  • 19Het geluid Uws donders was in het ronde; de bliksemen verlichtten de wereld; de aarde werd beroerd en daverde.

  • 23Tweeerlei weegsteen is den HEERE een gruwel, en de bedriegelijke weegschaal is niet goed.

  • 9Die in oprechtheid wandelt, wandelt zeker; maar die zijn wegen verkeert, zal bekend worden.

  • 11De HEERE weet de gedachten des mensen, dat zij ijdelheid zijn.

  • 20Opdat gij wandelt op den weg der goeden, en houdt de paden der rechtvaardigen.

  • 16Een mens, die van den weg des verstands afdwaalt, zal in de gemeente der doden rusten.

  • 23Stelt hem God in gerustigheid, zo steunt hij daarop; nochtans zijn Zijn ogen op hun wegen.

  • 12Want wie weet, wat goed is voor den mens in dit leven, gedurende het getal der dagen van het leven zijner ijdelheid, welke hij doorbrengt als een schaduw? Want wie kan den mens aanzeggen, wat na hem wezen zal onder de zon?

  • 24Hetgeen verre af is, en zeer diep, wie zal dat vinden?

  • 12Wanneer gij zegt: Ziet, wij weten dat niet; zal Hij, Die de harten weegt, dat niet merken? En Die uwe ziel gadeslaat, zal Hij het niet weten? Want Hij zal den mens vergelden naar zijn werk.

  • 25Het is een strik des mensen, dat hij het heilige verslindt, en na gedane geloften, onderzoek te doen.

  • 11Want naar het werk des mensen vergeldt Hij hem, en naar eens ieders weg doet Hij het hem vinden.

  • 4Weet gij dit? Van altoos af, van dat God den mens op de wereld gezet heeft,

  • 8De wijsheid des kloekzinnigen is zijn weg te verstaan; maar dwaasheid der zotten is bedriegerij.

  • 7De treden zijner macht zullen benauwd worden, en zijn raad zal hem nederwerpen.

  • 9Dan zult gij verstaan gerechtigheid, en recht, en billijkheden, en alle goed pad.

  • 11Een jongen zal ook door zijn handelingen zich bekend maken, of zijn werk zuiver, en of het recht zal wezen.

  • 1Zekerlijk, dit alles heb ik in mijn hart gelegd, opdat ik dit alles klaarlijk mocht verstaan, dat de rechtvaardigen, en de wijzen, en hun werken in de hand Gods zijn; ook liefde, ook haat, weet de mens niet uit al hetgeen voor zijn aangezicht is.

  • 21Wie merkt, dat de adem van de kinderen der mensen opvaart naar boven, en de adem der beesten nederwaarts vaart in de aarde?

  • 20Die wijsheid dan, van waar komt zij, en waar is de plaats des verstands?