Job 18:7
De treden zijner macht zullen benauwd worden, en zijn raad zal hem nederwerpen.
De treden zijner macht zullen benauwd worden, en zijn raad zal hem nederwerpen.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
8Want met zijn voeten zal hij in het net geworpen worden, en zal in het wargaren wandelen.
9De strik zal hem bij de verzenen vatten; de struikrover zal hem overweldigen.
10Zijn touw is in de aarde verborgen, en zijn val op het pad.
11De beroeringen zullen hem rondom verschrikken, en hem verstrooien op zijn voeten.
12Zijn macht zal hongerig wezen, en het verderf is bereid aan zijn zijde.
5Ja, het licht der goddelozen zal uitgeblust worden, en de vonk zijns vuurs zal niet glinsteren.
6Het licht zal verduisteren in zijn tent, en zijn lamp zal over hem uitgeblust worden.
14Zijn vertrouwen zal uit zijn tent uitgerukt worden; zulks zal hem doen treden tot den koning der verschrikkingen.
15Zij zal wonen in zijn tent, waar zij de zijne niet is; zijn woning zal met zwavel overstrooid worden.
16Van onder zullen zijn wortelen verdorren, en van boven zal zijn tak afgesneden worden.
17Zijn gedachtenis zal vergaan van de aarde, en hij zal geen naam hebben op de straten.
18Men zal hem stoten van het licht in de duisternis, en men zal hem van de wereld verjagen.
15Ziet, hij is in arbeid van ongerechtigheid, en is zwanger van moeite, hij zal leugen baren.
16Hij heeft een kuil gedolven, en dien uitgegraven, maar hij is gevallen in de groeve, die hij gemaakt heeft.
13Hij vangt de wijzen in hun arglistigheid; dat de raad der verdraaiden gestort wordt.
8De verwoesting overkome hem, dat hij het niet wete, en zijn net, dat hij verborgen heeft, vange hemzelven; hij valle daarin met verwoesting.
22Den goddeloze zullen zijn ongerechtigheden vangen, en met de banden zijner zonden zal hij vastgehouden worden.
15Daarom zal zijn verderf haastelijk komen; hij zal schielijk verbroken worden, dat er geen genezen aan zij.
18Immers zet Gij hen op gladde plaatsen; Gij doet hen vallen in verwoestingen.
10Die de oprechten doet dwalen op een kwaden weg, zal zelf in zijn gracht vallen; maar de vromen zullen het goede beerven.
26Alle duisternis zal verborgen zijn in zijn schuilplaatsen; een vuur, dat niet opgeblazen is, zal hem verteren; den overigen in zijn tent zal het kwalijk gaan.
27De hemel zal zijn ongerechtigheid openbaren, en de aarde zal zich tegen hem opmaken.
9Gimel. Hij heeft mij wegen toegemuurd met uitgehouwen stenen, Hij heeft mijn paden verkeerd.
30Hij zal van de duisternis niet ontwijken, de vlam zal zijn scheut verdrogen; hij zal wijken door het geblaas zijns monds.
10Hij duikt neder, hij buigt zich; en de arme hoop valt in zijn sterke poten.
15Hij zal op zijn huis leunen, maar het zal niet bestaan; hij zal zich daaraan vasthouden, maar het zal niet staande blijven.
5De gerechtigheid des oprechten maakt zijn weg recht; maar de goddeloze valt door zijn goddeloosheid.
22Als zijn genoegzaamheid zal vol zijn, zal hem bang zijn; alle hand des ellendigen zal over hem komen.
19En hij zal zijn aangezicht keren naar de sterkten zijns lands, en hij zal aanstoten, en vallen, en niet gevonden worden.
24Angst en benauwdheid verschrikken hem; zij overweldigt hem, gelijk een koning, bereid ten strijde.
8Hij heeft mijn weg toegemuurd, dat ik niet doorgaan kan, en over mijn paden heeft Hij duisternis gesteld.
5Hij is een verachte fakkel, naar de mening desgenen, die gerust is; hij is gereed met den voet te struikelen.
11Daleth. Hij heeft mijn wegen afgewend; en Hij heeft mij in stukken gebroken; Hij heeft mij woest gemaakt.
11Hij legt mijn voeten in den stok; Hij neemt al mijn paden waar.
20Dat zijn ogen zijn ondergang zien, en hij drinkt van de grimmigheid des Almachtigen!
22En God zal dit over hem werpen, en niet sparen; van Zijn hand zal hij snellijk vlieden.
19De weg der goddelozen is als donkerheid, zij weten niet, waarover zij struikelen zullen.
9Die in oprechtheid wandelt, wandelt zeker; maar die zijn wegen verkeert, zal bekend worden.
7Gimel. Hij heeft mij toegemuurd, dat ik er niet uit gaan kan; Hij heeft mijn koperen boeien verzwaard.
18Die oprecht wandelt, zal behouden worden; maar die zich verkeerdelijk gedraagt in twee wegen, zal in den enen vallen.
23Totdat hem de pijl zijn lever doorsneed; gelijk een vogel zich haast naar den strik, en niet weet, dat dezelve tegen zijn leven is.
15En dat van de goddelozen hun licht geweerd worde, en de hoge arm worde gebroken?
2Nochtans is Hij ook wijs, en Hij doet het kwaad komen, en trekt Zijn woorden niet terug; maar Hij zal Zich opmaken tegen het huis der boosdoeners, en tegen de hulp dergenen, die ongerechtigheid werken.
31De wet zijns Gods is in zijn hart; zijn gangen zullen niet slibberen.
9Het hart des mensen overdenkt zijn weg; maar de HEERE stiert zijn gang.
6Verhef U boven de hemelen, o God! Uw eer zij over de ganse aarde.
22De wijze beklimt de stad der geweldigen, en werpt de sterkte huns vertrouwens neder.
10Daarom zijn strikken rondom u, en vervaardheid heeft u haastelijk beroerd.
9Die Zich verkwikt door verwoesting over een sterke; zodat de verwoesting komt over een vesting.
20Verschrikkingen zullen hem als wateren aangrijpen; des nachts zal hem een wervelwind wegstelen.