Spreuken 3:5
Vertrouw op den HEERE met uw ganse hart, en steun op uw verstand niet.
Vertrouw op den HEERE met uw ganse hart, en steun op uw verstand niet.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
6Ken Hem in al uw wegen, en Hij zal uw paden recht maken.
7Zijt niet wijs in uw ogen; vrees den HEERE, en wijk van het kwade.
8Het zal een medicijn voor uw navel zijn, en een bevochtiging voor uw beenderen.
9Vereer den HEERE van uw goed, en van de eerstelingen al uwer inkomsten;
3Dat de goedertierenheid en de trouw u niet verlaten; bind ze aan uw hals, schrijf zij op de tafel uws harten.
4En vind gunst en goed verstand, in de ogen Gods en der mensen.
3Wentel uw werken op den HEERE, en uw gedachten zullen bevestigd worden.
3Beth. Vertrouw op den HEERE, en doe het goede; bewoon de aarde, en voed u met getrouwigheid.
4En verlustig u in den HEERE, zo zal Hij u geven de begeerten uws harten.
5Gimel. Wentel uw weg op den HEERE, en vertrouw op Hem; Hij zal het maken;
8Het is beter tot den HEERE toevlucht te nemen, dan op den mens te vertrouwen.
9Het is beter tot den HEERE toevlucht te nemen, dan op prinsen te vertrouwen.
26Die op zijn hart vertrouwt, die is een zot; maar die in wijsheid wandelt, die zal ontkomen.
5Zo zegt de HEERE: Vervloekt is de man, die op een mens vertrouwt, en vlees tot zijn arm stelt, en wiens hart van den HEERE afwijkt!
2Om uw oren naar wijsheid te doen opmerken; zo gij uw hart tot verstandigheid neigt;
5Zijt beroerd, en zondigt niet; spreekt in ulieder hart op uw leger, en zijt stil. Sela.
1Mijn zoon! merk op mijn wijsheid, neig uw oor tot mijn verstand;
3Vertrouwt niet op prinsen, op des mensen kind, bij hetwelk geen heil is.
9Het hart des mensen overdenkt zijn weg; maar de HEERE stiert zijn gang.
7De wijsheid is het voornaamste; verkrijg dan wijsheid, en verkrijg verstand met al uw bezitting.
3De dwaasheid des mensen zal zijn weg verkeren; en zijn hart zal zich tegen den HEERE vergrammen.
30Er is geen wijsheid, en er is geen verstand, en er is geen raad tegen den HEERE.
25Laat uw ogen rechtuit zien, en uw oogleden zich recht voor u heen houden.
26Weeg den gang uws voets, en laat al uw wegen wel gevestigd zijn.
5Dan zult gij de vreze des HEEREN verstaan, en zult de kennis van God vinden.
4En Hij heeft een nieuw lied in mijn mond gegeven, een lofzang onzen Gode; velen zullen het zien, en vrezen, en op den HEERE vertrouwen.
3Het is een bevestigd voornemen, Gij zult allerlei vrede bewaren, want men heeft op U vertrouwd.
4Vertrouwt op den HEERE tot in der eeuwigheid; want in den Heere HEERE is een eeuwige rotssteen.
19Opdat uw vertrouwen op den HEERE zij, maak ik u die heden bekend; gij ook maak ze bekend.
2Alle weg des mensen is recht in zijn ogen; maar de HEERE weegt de harten.
23Ik weet, o HEERE! dat bij den mens zijn weg niet is; het is niet bij een man, die wandelt, dat hij zijn gang richte.
10Immers zijn de gemene lieden ijdelheid, de grote lieden zijn leugen; in de weegschaal opgewogen, zouden zij samen lichter zijn dan de ijdelheid.
1Mijn zoon! vergeet mijn wet niet, maar uw hart beware mijn geboden.
34Geef mij het verstand, en ik zal Uw wet houden; ja, ik zal ze onderhouden met gansen harte.
17Uw hart zij niet nijdig over de zondaren; maar zijt ten allen dage in de vreze des HEEREN.
19Hoor gij, mijn zoon! en word wijs, en richt uw hart op den weg.
26Want de HEERE zal met uw hoop wezen, en Hij zal uw voet bewaren van gevangen te worden.
24De treden des mans zijn van den HEERE; hoe zou dan een mens zijn weg verstaan?
11Zo zal de bedachtzaamheid over u de wacht houden, de verstandigheid zal u behoeden;
5Verkrijg wijsheid, verkrijg verstand; vergeet niet, en wijk niet van de redenen mijns monds.
9Israel! vertrouw gij op den HEERE; Hij is hun Hulp en hun Schild.
4Vermoei u niet om rijk te worden; sta af van uw vernuft.
5Gij slechten! verstaat kloekzinnigheid, en gij zotten! verstaat met het hart.
21In het hart des mans zijn veel gedachten; maar de raad des HEEREN, die zal bestaan.
23Dan zult gij uw weg zeker wandelen, en gij zult uw voet niet stoten.
25De siddering des mensen legt een strik; maar die op den HEERE vertrouwt, zal in een hoog vertrek gesteld worden.
3Bind ze aan uw vingeren, schrijf ze op de tafels uws harten.
5Zo zult gij den HEERE, uw God, liefhebben, met uw ganse hart, en met uw ganse ziel, en met al uw vermogen.
17Daarom zijt niet onverstandig, maar verstaat, welke de wil des Heeren zij.
5Gelooft een vriend niet, vertrouwt niet op een voornaamsten vriend; bewaar de deuren uws monds voor haar, die in uw schoot ligt.