Spreuken 5:21
Want eens iegelijks wegen zijn voor de ogen des HEEREN, en Hij weegt al zijne gangen.
Want eens iegelijks wegen zijn voor de ogen des HEEREN, en Hij weegt al zijne gangen.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
21Want Zijn ogen zijn op ieders wegen, en Hij ziet al zijn treden.
24De treden des mans zijn van den HEERE; hoe zou dan een mens zijn weg verstaan?
1Des konings hart is in de hand des HEEREN als waterbeken. Hij neigt het tot al wat Hij wil.
2Alle weg des mensen is recht in zijn ogen; maar de HEERE weegt de harten.
2Alle wegen des mans zijn zuiver in zijn ogen; maar de HEERE weegt de geesten.
3De ogen des HEEREN zijn in alle plaatsen, beschouwende de kwaden en de goeden.
9Het hart des mensen overdenkt zijn weg; maar de HEERE stiert zijn gang.
8De weg des mensen is gans verkeerd en vreemd; maar het werk des zuiveren is recht.
6Opdat gij het pad des levens niet zoudt wegen, zijn haar gangen ongestadig, dat gij het niet merkt.
25Laat uw ogen rechtuit zien, en uw oogleden zich recht voor u heen houden.
26Weeg den gang uws voets, en laat al uw wegen wel gevestigd zijn.
4Ziet Hij niet mijn wegen, en telt Hij niet al mijn treden?
23Mem. De gangen deszelven mans worden van den HEERE bevestigd; en Hij heeft lust aan zijn weg.
20Opdat gij wandelt op den weg der goeden, en houdt de paden der rechtvaardigen.
20En waarom zoudt gij, mijn zoon, in een vreemde dolen, en den schoot der onbekende omvangen?
9Die in oprechtheid wandelt, wandelt zeker; maar die zijn wegen verkeert, zal bekend worden.
6Ken Hem in al uw wegen, en Hij zal uw paden recht maken.
15Hebt gij het pad der eeuw waargenomen, dat de ongerechtige lieden betreden hebben?
12Er is een weg, die iemand recht schijnt; maar het laatste van dien zijn wegen des doods.
9Verblijd u, o jongeling! in uw jeugd, en laat uw hart zich vermaken in de dagen uwer jongelingschap, en wandel in de wegen uws harten, en in de aanschouwingen uwer ogen; maar weet, dat God, om al deze dingen, u zal doen komen voor het gericht.
21In het hart des mans zijn veel gedachten; maar de raad des HEEREN, die zal bestaan.
17Want Mijn ogen zijn op al hun wegen; zij zijn voor Mijn aangezicht niet verborgen, noch hun ongerechtigheid verholen van voor Mijn ogen.
3De dwaasheid des mensen zal zijn weg verkeren; en zijn hart zal zich tegen den HEERE vergrammen.
23Ik weet, o HEERE! dat bij den mens zijn weg niet is; het is niet bij een man, die wandelt, dat hij zijn gang richte.
22Den goddeloze zullen zijn ongerechtigheden vangen, en met de banden zijner zonden zal hij vastgehouden worden.
25Laat uw hart tot haar wegen niet wijken, dwaalt niet op haar paden.
12De ogen des HEEREN bewaren de wetenschap; maar de zaken des trouwelozen zal Hij omkeren.
8Voorbijgaande op de straat, nevens haar hoek, en hij trad op den weg van haar huis.
5Houdende mijn gangen in Uw sporen, opdat mijn voetstappen niet zouden wankelen.
25Er is een weg, die iemand recht schijnt; maar het laatste van dien zijn wegen des doods.
19Groot van raad en machtig van daad; want Uw ogen zijn open over alle wegen der mensenkinderen, om een iegelijk te geven naar zijn wegen, en naar de vrucht zijner handelingen.
5Doornen en strikken, zijn in den weg des verkeerden; die zijn ziel bewaart, zal zich verre van die maken.
15De slechte gelooft alle woord; maar de kloekzinnige merkt op zijn gang.
10Ik, de HEERE, doorgrond het hart, en proef de nieren; en dat, om een iegelijk te geven naar zijn wegen, naar de vrucht zijner handelingen.
25Alle mensen zien het aan; de mens schouwt het van verre.
29Een goddeloos man sterkt zich in zijn aangezicht; maar de oprechte, die maakt zijn weg vast.
15Mijn zoon! wandel niet met hen op den weg; weer uw voet van hun pad.
11Een jongen zal ook door zijn handelingen zich bekend maken, of zijn werk zuiver, en of het recht zal wezen.
12De rechtvaardige let verstandelijk op des goddelozen huis, als God de goddelozen in het kwaad stort.
11Want naar het werk des mensen vergeldt Hij hem, en naar eens ieders weg doet Hij het hem vinden.
12Wanneer gij zegt: Ziet, wij weten dat niet; zal Hij, Die de harten weegt, dat niet merken? En Die uwe ziel gadeslaat, zal Hij het niet weten? Want Hij zal den mens vergelden naar zijn werk.
9Efraim! wat heb Ik meer met de afgoden te doen? Ik heb hem verhoord, en zal op hem zien; Ik zal hem zijn als een groenende denneboom; uw vrucht is uit Mij gevonden. [ (Hosea 14:10) Wie is wijs? die versta deze dingen; wie is verstandig? die bekenne ze; want des HEEREN wegen zijn recht, en de rechtvaardigen zullen daarin wandelen, maar de overtreders zullen daarin vallen. ]
19De weg eens arends in den hemel; de weg ener slang op een rotssteen; de weg van een schip in het hart der zee; en de weg eens mans bij een maagd.
11De hel en het verderf zijn voor den HEERE; hoeveel te meer de harten van des mensenkinderen?
23Stelt hem God in gerustigheid, zo steunt hij daarop; nochtans zijn Zijn ogen op hun wegen.
21De dwaasheid is den verstandeloze blijdschap; maar een man van verstand zal recht wandelen.
19Hoor gij, mijn zoon! en word wijs, en richt uw hart op den weg.
22Hij ging haar straks achterna, gelijk een os ter slachting gaat, en gelijk een dwaas tot de tuchtiging der boeien.
15Welker paden verkeerd zijn, en afwijkende in hun sporen;