Spreuken 16:2
Alle wegen des mans zijn zuiver in zijn ogen; maar de HEERE weegt de geesten.
Alle wegen des mans zijn zuiver in zijn ogen; maar de HEERE weegt de geesten.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
1Des konings hart is in de hand des HEEREN als waterbeken. Hij neigt het tot al wat Hij wil.
2Alle weg des mensen is recht in zijn ogen; maar de HEERE weegt de harten.
3Gerechtigheid en recht te doen is bij den HEERE uitgelezener dan offer.
1De mens heeft schikkingen des harten; maar het antwoord der tong is van den HEERE.
21Want eens iegelijks wegen zijn voor de ogen des HEEREN, en Hij weegt al zijne gangen.
9Het hart des mensen overdenkt zijn weg; maar de HEERE stiert zijn gang.
10Waarzegging is op de lippen des konings; zijn mond zal niet overtreden in het gericht.
11Een rechte waag en weegschaal zijn des HEEREN; alle weegstenen des zaks zijn Zijn werk.
25Er is een weg, die iemand recht schijnt; maar het laatste van dien zijn wegen des doods.
9Arglistig is het hart, meer dan enig ding, ja, dodelijk is het, wie zal het kennen?
10Ik, de HEERE, doorgrond het hart, en proef de nieren; en dat, om een iegelijk te geven naar zijn wegen, naar de vrucht zijner handelingen.
3Wentel uw werken op den HEERE, en uw gedachten zullen bevestigd worden.
23Tweeerlei weegsteen is den HEERE een gruwel, en de bedriegelijke weegschaal is niet goed.
24De treden des mans zijn van den HEERE; hoe zou dan een mens zijn weg verstaan?
12Er is een weg, die iemand recht schijnt; maar het laatste van dien zijn wegen des doods.
27De ziel des mensen is een lamp des HEEREN, doorzoekende al de binnenkameren des buiks.
8De weg des mensen is gans verkeerd en vreemd; maar het werk des zuiveren is recht.
9Wie kan zeggen: Ik heb mijn hart gezuiverd, ik ben rein van mijn zonde?
10Tweeerlei weegsteen, tweeerlei efa is den HEERE een gruwel, ja die beide.
11Een jongen zal ook door zijn handelingen zich bekend maken, of zijn werk zuiver, en of het recht zal wezen.
1Een bedriegelijke weegschaal is den HEERE een gruwel; maar een volkomen weegsteen is Zijn welgevallen.
15Doch de geestelijke mens onderscheidt wel alle dingen, maar hij zelf wordt van niemand onderscheiden.
3De ogen des HEEREN zijn in alle plaatsen, beschouwende de kwaden en de goeden.
11De HEERE weet de gedachten des mensen, dat zij ijdelheid zijn.
21Want Zijn ogen zijn op ieders wegen, en Hij ziet al zijn treden.
2De overtreding des goddelozen spreekt in het binnenste van mijn hart: Er is geen vreze Gods voor zijn ogen.
21In het hart des mans zijn veel gedachten; maar de raad des HEEREN, die zal bestaan.
7Want gelijk hij bedacht heeft in zijn ziel, alzo zal hij tot u zeggen: Eet en drink! maar zijn hart is niet met u;
15En Hij zeide tot hen: Gij zijt het, die uzelven rechtvaardigt voor de mensen; maar God kent uw harten; want dat hoog is onder de mensen, is een gruwel voor God.
12Een geslacht, dat rein in zijn ogen is, en van zijn drek niet gewassen is;
23Ik weet, o HEERE! dat bij den mens zijn weg niet is; het is niet bij een man, die wandelt, dat hij zijn gang richte.
15De weg des dwazen is recht in zijn ogen; maar die naar raad hoort, is wijs.
8Gij zult niet doen naar alles, wat wij hier heden doen, een ieder al wat in zijn ogen recht is.
15Alle dingen zijn wel rein den reinen, maar den bevlekten en ongelovigen is geen ding rein, maar beide hun verstand en geweten zijn bevlekt.
16Hoeveel te meer is een man gruwelijk en stinkende, die het onrecht indrinkt als water?
3Maakt het niet te veel, dat gij hoog, hoog zoudt spreken, dat iets hards uit uw mond zou gaan; want de HEERE is een God der wetenschappen, en Zijn daden zijn recht gedaan.
26Velen zoeken het aangezicht des heersers; maar een ieders recht is van den HEERE.
9Vertrouw op Hem te aller tijd, o gij volk! Stort ulieder hart uit voor Zijn aangezicht; God is ons een Toevlucht. Sela.
11Zou ik rein zijn, met een goddeloze weegschaal en met een zak van bedriegelijke weegstenen?
6Ken Hem in al uw wegen, en Hij zal uw paden recht maken.
17Gij vermoeit den HEERE met uw woorden; nog zegt gij: Waarmede vermoeien wij Hem? Daarmede, dat gij zegt: Al wie kwaad doet, is goed in de ogen des HEEREN, en Hij heeft lust aan zodanigen; of, waar is de God des oordeels?
17Hoge ogen, een valse tong, en handen, die onschuldig bloed vergieten;
6Hij wege mij op, in een rechte weegschaal, en God zal mijn oprechtigheid weten.
6Door goedertierenheid en trouw wordt de misdaad verzoend; en door de vreze des HEEREN wijkt men af van het kwade.
3De smeltkroes is voor het zilver, en de oven voor het goud; maar de HEERE proeft de harten.
2De goede zal een welgevallen trekken van den HEERE; maar een man van schandelijke verdichtselen zal Hij verdoemen.
25Alle mensen zien het aan; de mens schouwt het van verre.
17Want Mijn ogen zijn op al hun wegen; zij zijn voor Mijn aangezicht niet verborgen, noch hun ongerechtigheid verholen van voor Mijn ogen.
26Des bozen gedachten zijn den HEERE een gruwel; maar der reinen zijn liefelijke redenen.
20En wederom: De Heere kent de overleggingen der wijzen, dat zij ijdel zijn.