Spreuken 20:27

Statenvertaling (States Bible)

De ziel des mensen is een lamp des HEEREN, doorzoekende al de binnenkameren des buiks.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • 1 Kor 2:11 : 11 Want wie van de mensen weet, hetgeen des mensen is, dan de geest des mensen, die in hem is? Alzo weet ook niemand, hetgeen Gods is, dan de Geest Gods.
  • 2 Kor 4:2-6 : 2 Maar wij hebben verworpen de bedekselen der schande, niet wandelende in arglistigheid, noch het Woord Gods vervalsende, maar door openbaring der waarheid onszelven aangenaam makende bij alle gewetens der mensen, in de tegenwoordigheid Gods. 3 Doch indien ook ons Evangelie bedekt is, zo is het bedekt in degenen, die verloren gaan; 4 In dewelke de god dezer eeuw de zinnen verblind heeft, namelijk der ongelovigen, opdat hen niet bestrale de verlichting van het Evangelie der heerlijkheid van Christus, Die het Beeld Gods is. 5 Want wij prediken niet onszelven, maar Christus Jezus, den Heere; en onszelven, dat wij uw dienaars zijn om Jezus' wil. 6 Want God, Die gezegd heeft, dat het licht uit de duisternis zou schijnen, is Degene, Die in onze harten geschenen heeft, om te geven verlichting der kennis der heerlijkheid Gods in het aangezicht van Jezus Christus.
  • Heb 4:12-13 : 12 Want het Woord Gods is levend en krachtig, en scherpsnijdender dan enig tweesnijdend zwaard, en gaat door tot de verdeling der ziel, en des geestes, en der samenvoegselen, en des mergs, en is een oordeler der gedachten en der overleggingen des harten. 13 En er is geen schepsel onzichtbaar voor Hem; maar alle dingen zijn naakt en geopend voor de ogen Desgenen, met Welken wij te doen hebben.
  • Spr 20:30 : 30 Gezwellen der wonde zijn in den boze een zuivering, mitsgaders de slagen van het binnenste des buiks.
  • Rom 2:15 : 15 Als die betonen het werk der wet geschreven in hun harten, hun geweten medegetuigende, en de gedachten onder elkander hen beschuldigende, of ook ontschuldigende).
  • Gen 2:7 : 7 En de HEERE God had den mens geformeerd uit het stof der aarde, en in zijn neusgaten geblazen de adem des levens; alzo werd de mens tot een levende ziel.
  • Job 32:8 : 8 Zekerlijk de geest, die in den mens is, en de inblazing des Almachtigen, maakt henlieden verstandig.
  • 1 Joh 3:19-21 : 19 En hieraan kennen wij, dat wij uit de waarheid zijn, en wij zullen onze harten verzekeren voor Hem. 20 Want indien ons hart ons veroordeelt, God is meerder dan ons hart, en Hij kent alle dingen. 21 Geliefden! Indien ons hart ons niet veroordeelt, zo hebben wij vrijmoedigheid tot God;

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • 8Zekerlijk de geest, die in den mens is, en de inblazing des Almachtigen, maakt henlieden verstandig.

  • Spr 16:1-2
    2 verzen
    73%

    1De mens heeft schikkingen des harten; maar het antwoord der tong is van den HEERE.

    2Alle wegen des mans zijn zuiver in zijn ogen; maar de HEERE weegt de geesten.

  • 5De raad in het hart eens mans is als diepe wateren; maar een man van verstand zal dien uithalen.

  • 14De geest eens mans zal zijn krankheid ondersteunen; maar een verslagen geest, wie zal dien opheffen?

  • Spr 21:1-2
    2 verzen
    70%

    1Des konings hart is in de hand des HEEREN als waterbeken. Hij neigt het tot al wat Hij wil.

    2Alle weg des mensen is recht in zijn ogen; maar de HEERE weegt de harten.

  • 10Ik, de HEERE, doorgrond het hart, en proef de nieren; en dat, om een iegelijk te geven naar zijn wegen, naar de vrucht zijner handelingen.

  • 21Wie merkt, dat de adem van de kinderen der mensen opvaart naar boven, en de adem der beesten nederwaarts vaart in de aarde?

  • 69%

    10Doch God heeft het ons geopenbaard door Zijn Geest; want de Geest onderzoekt alle dingen, ook de diepten Gods.

    11Want wie van de mensen weet, hetgeen des mensen is, dan de geest des mensen, die in hem is? Alzo weet ook niemand, hetgeen Gods is, dan de Geest Gods.

  • 24De treden des mans zijn van den HEERE; hoe zou dan een mens zijn weg verstaan?

  • 28Weldadigheid en waarheid bewaren den koning; en door weldadigheid ondersteunt hij zijn troon.

  • 11De HEERE weet de gedachten des mensen, dat zij ijdelheid zijn.

  • 21Want eens iegelijks wegen zijn voor de ogen des HEEREN, en Hij weegt al zijne gangen.

  • 21In het hart des mans zijn veel gedachten; maar de raad des HEEREN, die zal bestaan.

  • 28Want Gij verlost het bedrukte volk, maar de hoge ogen vernedert Gij.

  • 20Want de kwade zal geen beloning hebben, de lamp der goddelozen zal uitgeblust worden.

  • 36Indien dan uw lichaam geheel verlicht is, niet hebbende enig deel, dat duister is, zo zal het geheel verlicht zijn, gelijk wanneer de kaars met het schijnsel u verlicht.

  • 21Want Zijn ogen zijn op ieders wegen, en Hij ziet al zijn treden.

  • 36Wie heeft de wijsheid in het binnenste gezet? Of wie heeft den zin het verstand gegeven?

  • 6Het licht zal verduisteren in zijn tent, en zijn lamp zal over hem uitgeblust worden.

  • 26Een wijs koning verstrooit de goddelozen, en hij brengt het rad over hen.

  • 9Het hart des mensen overdenkt zijn weg; maar de HEERE stiert zijn gang.

  • 23Doorgrond mij, o God! en ken mijn hart; beproef mij, en ken mijn gedachten.

  • 1De last van het woord des HEEREN over Israel. De HEERE spreekt, Die den hemel uitbreidt, en de aarde grondvest, en des mensen geest in zijn binnenste formeert.

  • 3De smeltkroes is voor het zilver, en de oven voor het goud; maar de HEERE proeft de harten.

  • 3Toen Hij Zijn lamp deed schijnen over mijn hoofd, en ik bij Zijn licht de duisternis doorwandelde;

  • 6Tegen U, U alleen, heb ik gezondigd, en gedaan, dat kwaad is in Uw ogen; opdat Gij rechtvaardig zijt in Uw spreken, en rein zijt in Uw richten.

  • 10In Wiens hand de ziel is van al wat leeft, en de geest van alle vlees des mensen.

  • 3De dwaasheid des mensen zal zijn weg verkeren; en zijn hart zal zich tegen den HEERE vergrammen.

  • 29Want Gij zijt mijn Lamp, o HEERE, en de HEERE doet mijn duisternis opklaren.

  • 23Ik weet, o HEERE! dat bij den mens zijn weg niet is; het is niet bij een man, die wandelt, dat hij zijn gang richte.

  • 3Aan de hoogte des hemels, en aan de diepte der aarde, en aan het hart der koningen is geen doorgronding.

  • 22Hij openbaart diepe en verborgen dingen; Hij weet, wat in het duister is, want het licht woont bij Hem.

  • 9Het licht der rechtvaardigen zal zich verblijden; maar de lamp der goddelozen zal uitgeblust worden.

  • 33En niemand, die een kaars ontsteekt, zet die in het verborgen, noch onder een koornmaat, maar op een kandelaar, opdat degenen, die inkomen, het licht zien mogen.

  • 14Indien Hij Zijn hart tegen hem zette, zijn geest en zijn adem zou Hij tot Zich vergaderen;

  • 16En niemand, die een kaars ontsteekt, bedekt dezelve met een vat, of zet ze onder een bed; maar zet ze op een kandelaar, opdat degenen, die inkomen, het licht zien mogen.

  • 19Gelijk in het water het aangezicht is tegen het aangezicht, alzo is des mensen hart tegen den mens.

  • 7Want gelijk hij bedacht heeft in zijn ziel, alzo zal hij tot u zeggen: Eet en drink! maar zijn hart is niet met u;

  • 21Zo wij den Naam onzes Gods hadden vergeten, en onze handen tot een vreemden God uitgebreid.

  • 2Proef mij, HEERE, en verzoek mij; toets mijn nieren en mijn hart.

  • 3De ogen des HEEREN zijn in alle plaatsen, beschouwende de kwaden en de goeden.

  • 31En de Geest Gods heeft hem vervuld met wijsheid, met verstand, en met wetenschap, namelijk in alle handwerk;

  • 11De hel en het verderf zijn voor den HEERE; hoeveel te meer de harten van des mensenkinderen?

  • 21De smeltkroes is voor het zilver, en de oven voor het goud; alzo is een man naar zijn lof te proeven.

  • 20En Hij zeide: Hetgeen uitgaat uit den mens, dat ontreinigt den mens.

  • 27Wie wetenschap weet, houdt zijn woorden in; en een man van verstand is kostelijk van geest.

  • 26Alle duisternis zal verborgen zijn in zijn schuilplaatsen; een vuur, dat niet opgeblazen is, zal hem verteren; den overigen in zijn tent zal het kwalijk gaan.