Job 34:14
Indien Hij Zijn hart tegen hem zette, zijn geest en zijn adem zou Hij tot Zich vergaderen;
Indien Hij Zijn hart tegen hem zette, zijn geest en zijn adem zou Hij tot Zich vergaderen;
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
15Alle vlees zou tegelijk den geest geven, en de mens zou tot stof wederkeren.
16Zo er dan verstand bij u is, hoor dit; neig de oren tot de stem mijner woorden.
22Laat gijlieden dan af van den mens, wiens adem in zijn neus is, want waarin is hij te achten?
13Wie heeft Hem gesteld over de aarde, en wie heeft de ganse wereld geschikt?
10In Wiens hand de ziel is van al wat leeft, en de geest van alle vlees des mensen.
13Dat gij uw geest keert tegen God, en zulke redenen uit uw mond laat uitgaan.
14Wat is de mens, dat hij zuiver zou zijn, en die geboren is van een vrouw, dat hij rechtvaardig zou zijn?
13Indien gij uw hart bereid hebt, zo breid uw handen tot Hem uit.
10Indien Hij voorbijgaat, opdat Hij overlevere of vergadere, wie zal dan Hem afkeren?
4Zijn geest gaat uit, hij keert wederom tot zijn aarde; te dienzelfden dage vergaan zijn aanslagen.
17Wat is de mens, dat Gij hem groot acht, en dat Gij Uw hart op hem zet?
10Maar een man sterft, als hij verzwakt is, en de mens geeft den geest, waar is hij dan?
3Zo lang als mijn adem in mij zal zijn, en het geblaas Gods in mijn neus;
7En dat het stof wederom tot aarde keert, als het geweest is; en de geest weder tot God keert, Die hem gegeven heeft.
21Wie merkt, dat de adem van de kinderen der mensen opvaart naar boven, en de adem der beesten nederwaarts vaart in de aarde?
29Verbergt Gij Uw aangezicht, zij worden verschrikt; neemt Gij hun adem weg, zij sterven, en zij keren weder tot hun stof.
4De Geest Gods heeft mij gemaakt, en de adem des Almachtigen heeft mij levend gemaakt.
13Maar is Hij tegen iemand, wie zal dan Hem afkeren? Wat Zijn ziel begeert, dat zal Hij doen.
14Want Hij zal volbrengen, dat over mij bescheiden is; en diergelijke dingen zijn er vele bij Hem.
22Ook trekt hij de machtigen door zijn kracht; staat hij op, zo is men des levens niet zeker.
14De geest eens mans zal zijn krankheid ondersteunen; maar een verslagen geest, wie zal dien opheffen?
17Opdat Hij den mens afwende van zijn werk, en van den man de hovaardij verberge;
8Zekerlijk de geest, die in den mens is, en de inblazing des Almachtigen, maakt henlieden verstandig.
14Als een man gestorven is, zal hij weder leven? Ik zou al de dagen mijns strijds hopen, totdat mijn verandering komen zou.
5Dewijl zijn dagen bestemd zijn, het getal zijner maanden bij U is, en Gij zijn bepalingen gemaakt hebt, die hij niet overgaan zal;
4Hij is wijs van hart, en sterk van kracht; wie heeft zich tegen Hem verhard, en vrede gehad?
3Nog doet Gij Uw ogen over zulk een open; en Gij betrekt mij in het gericht met U.
23Gewisselijk, Hij legt den mens niet te veel op, dat hij tegen God in het gericht zou mogen treden.
29Als Hij stilt, wie zal dan beroeren? Als Hij het aangezicht verbergt, wie zal Hem dan aanschouwen, zowel voor een volk, als voor een mens alleen?
24Daarom vreze Hem de lieden; Hij ziet geen wijzen van harte aan.
34
14Hij ziet uit van Zijn vaste woonplaats op alle inwoners der aarde.
15Hij formeert hun aller hart; Hij let op al hun werken.
13Door Zijn Geest heeft Hij de hemelen versierd; Zijn hand heeft de langwemelende slang geschapen.
14Ziet, Hij breekt af, en het zal niet herbouwd worden; Hij besluit iemand, en er zal niet opengedaan worden.
29Jod. Hij steke zijn mond in het stof, zeggende: Misschien is er verwachting.
7En de HEERE God had den mens geformeerd uit het stof der aarde, en in zijn neusgaten geblazen de adem des levens; alzo werd de mens tot een levende ziel.
18Hij laat mij niet toe mijn adem te verhalen; maar Hij verzadigt mij met bitterheden.
19Zo het aan de kracht komt, zie, Hij is sterk; en zo het aan het recht komt, wie zal mij dagvaarden?
11Dan zal hij den geest veranderen, en hij zal doortrekken, en zich schuldig maken, houdende deze zijn kracht voor zijn God.
39En Hij dacht, dat zij vlees waren, een wind, die henengaat en niet wederkeert.
21Want Zijn ogen zijn op ieders wegen, en Hij ziet al zijn treden.
4Is (mij aangaande) mijn klacht tot den mens? Doch of het zo ware, waarom zou mijn geest niet verdrietig zijn?
38Als het stof doorgoten is tot vastigheid, en de kluiten samenkleven?
30Hij zal van de duisternis niet ontwijken, de vlam zal zijn scheut verdrogen; hij zal wijken door het geblaas zijns monds.
4Aan wien hebt gij die woorden verhaald? En wiens geest is van u uitgegaan?
14Want Hij weet, wat maaksel wij zijn, gedachtig zijnde, dat wij stof zijn.
5Alzo zegt God, de HEERE, Die de hemelen geschapen, en dezelve uitgebreid heeft, Die de aarde uitgespannen heeft, en wat daaruit voortkomt; Die den volke, dat daarop is, den adem geeft, en den geest dengenen, die daarop wandelen:
4De mens is der ijdelheid gelijk; zijn dagen zijn als een voorbijgaande schaduw.
9Want hij heeft gezegd: Het baat een man niet, als hij welbehagen heeft aan God.