Job 32:8
Zekerlijk de geest, die in den mens is, en de inblazing des Almachtigen, maakt henlieden verstandig.
Zekerlijk de geest, die in den mens is, en de inblazing des Almachtigen, maakt henlieden verstandig.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
9De groten zijn niet wijs, en de ouden verstaan het recht niet.
4De Geest Gods heeft mij gemaakt, en de adem des Almachtigen heeft mij levend gemaakt.
12In de stokouden is de wijsheid, en in de langheid der dagen het verstand.
13Bij Hem is wijsheid en macht; Hij heeft raad en verstand.
27De ziel des mensen is een lamp des HEEREN, doorzoekende al de binnenkameren des buiks.
7Ik zeide: Laat de dagen spreken, en de veelheid der jaren wijsheid te kennen geven.
10Doch God heeft het ons geopenbaard door Zijn Geest; want de Geest onderzoekt alle dingen, ook de diepten Gods.
11Want wie van de mensen weet, hetgeen des mensen is, dan de geest des mensen, die in hem is? Alzo weet ook niemand, hetgeen Gods is, dan de Geest Gods.
36Wie heeft de wijsheid in het binnenste gezet? Of wie heeft den zin het verstand gegeven?
31En de Geest Gods heeft hem vervuld met wijsheid, met verstand, en met wetenschap, namelijk in alle handwerk;
21Wie merkt, dat de adem van de kinderen der mensen opvaart naar boven, en de adem der beesten nederwaarts vaart in de aarde?
3Zo lang als mijn adem in mij zal zijn, en het geblaas Gods in mijn neus;
10In Wiens hand de ziel is van al wat leeft, en de geest van alle vlees des mensen.
28Maar tot den mens heeft Hij gezegd: Zie, de vreze des HEEREN is de wijsheid, en van het kwade te wijken is het verstand.
8Er is geen mens, die heerschappij heeft over den geest, om den geest in te houden; en hij heeft geen heerschappij over den dag des doods; ook geen geweer in dezen strijd; ook zal de goddeloosheid haar meesters niet verlossen.
14De geest eens mans zal zijn krankheid ondersteunen; maar een verslagen geest, wie zal dien opheffen?
14Indien Hij Zijn hart tegen hem zette, zijn geest en zijn adem zou Hij tot Zich vergaderen;
15Alle vlees zou tegelijk den geest geven, en de mens zou tot stof wederkeren.
16Zo er dan verstand bij u is, hoor dit; neig de oren tot de stem mijner woorden.
6Want de HEERE geeft wijsheid; uit Zijn mond komt kennis en verstand.
3En Ik heb hem vervuld met den Geest Gods, met wijsheid, en met verstand, en met wetenschap, namelijk in alle handwerk;
13Opdat gij niet zegt: Wij hebben de wijsheid gevonden; God heeft hem nedergestoten, geen mens.
3Ik heb ook een hart even als gijlieden, ik zwicht niet voor u; en bij wien zijn niet dergelijke dingen?
12Maar de wijsheid, van waar zal zij gevonden worden? En waar is de plaats des verstands?
14Raad en het wezen zijn Mijne; Ik ben het Verstand, Mijne is de Sterkte.
4Aan wien hebt gij die woorden verhaald? En wiens geest is van u uitgegaan?
14Ik heb toch van u gehoord, dat de geest der goden in u is, en dat er licht, en verstand, en voortreffelijke wijsheid in u gevonden wordt.
10Zullen die u niet leren, tot u spreken, en uit hun hart redenen voortbrengen?
7En dat het stof wederom tot aarde keert, als het geweest is; en de geest weder tot God keert, Die hem gegeven heeft.
1Wie is gelijk de wijze, en wie weet de uitlegging der dingen? De wijsheid der mensen verlicht zijn aangezicht, en de stuursheid zijns aangezichts wordt daardoor veranderd.
16Heere, bij deze dingen leeft men, en in dit alles is het leven van mijn geest; want Gij hebt mij gezond gemaakt en mij genezen.
20Die wijsheid dan, van waar komt zij, en waar is de plaats des verstands?
34De lieden van verstand zullen met mij zeggen, en een wijs man zal naar mij horen;
5De raad in het hart eens mans is als diepe wateren; maar een man van verstand zal dien uithalen.
10Maar een man sterft, als hij verzwakt is, en de mens geeft den geest, waar is hij dan?
7En de HEERE God had den mens geformeerd uit het stof der aarde, en in zijn neusgaten geblazen de adem des levens; alzo werd de mens tot een levende ziel.
13Dewelke wij ook spreken, niet met woorden, die de menselijke wijsheid leert, maar met woorden, die de Heilige Geest leert, geestelijke dingen met geestelijke samenvoegende.
13Dat gij uw geest keert tegen God, en zulke redenen uit uw mond laat uitgaan.
8Hebt gij den verborgen raad Gods gehoord, en hebt gij de wijsheid naar u getrokken?
27Wie wetenschap weet, houdt zijn woorden in; en een man van verstand is kostelijk van geest.
30Zendt Gij Uw Geest uit, zo worden zij geschapen, en Gij vernieuwt het gelaat des aardrijks.
12Benevens het leven hebt Gij weldadigheid aan mij gedaan, en Uw opzicht heeft mijn geest bewaard.
10De vreze des HEEREN is het beginsel der wijsheid, en de wetenschap der heiligen is verstand.
10Daarom, gij, lieden van verstand, hoort naar mij: Verre zij God van goddeloosheid, en de Almachtige van onrecht!
4Weet gij dit? Van altoos af, van dat God den mens op de wereld gezet heeft,
5Een wijs man is sterk; en een man van wetenschap maakt de kracht vast.
15Toen ging voorbij mijn aangezicht een geest; hij deed het haar mijns vleses te berge rijzen.
18Ik zeide in mijn hart van de positie der mensenkinderen, dat God hen zal verklaren, en dat zij zullen zien, dat zij als de beesten zijn aan zichzelven.
5Zijn Uw dagen als de dagen van een mens? Zijn Uw jaren als de dagen eens mans?
2En op Hem zal de Geest des HEEREN rusten, de Geest der wijsheid en des verstands, de Geest des raads en der sterkte, de Geest der kennis en der vreze des HEEREN.