Spreuken 9:10
De vreze des HEEREN is het beginsel der wijsheid, en de wetenschap der heiligen is verstand.
De vreze des HEEREN is het beginsel der wijsheid, en de wetenschap der heiligen is verstand.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
2Om wijsheid en tucht te weten; om te verstaan redenen des verstands;
3Om aan te nemen onderwijs van goed verstand, gerechtigheid, en recht, en billijkheden;
4Om den slechten kloekzinnigheid te geven, den jongeling wetenschap en bedachtzaamheid.
5Die wijs is, zal horen, en zal in lere toenemen; en die verstandig is, zal wijzen raad bekomen.
6Om te verstaan een spreuk en de uitlegging, de woorden der wijzen en hun raadselen.
7De vrees des HEEREN is het beginsel der wetenschap; de dwazen verachten wijsheid en tucht.
8Mijn zoon! hoor de tucht uws vaders, en verlaat de leer uwer moeder niet;
10Resch. De vreze des HEEREN is het beginsel der wijsheid; Schin. allen, die ze doen, hebben goed verstand; Thau. Zijn lof bestaat tot in der eeuwigheid.
5Dan zult gij de vreze des HEEREN verstaan, en zult de kennis van God vinden.
6Want de HEERE geeft wijsheid; uit Zijn mond komt kennis en verstand.
28Maar tot den mens heeft Hij gezegd: Zie, de vreze des HEEREN is de wijsheid, en van het kwade te wijken is het verstand.
9Leer den wijze, zo zal hij nog wijzer worden; onderwijs den rechtvaardige, zo zal hij in leer toenemen.
33De vreze des HEEREN is de tucht der wijsheid; en de nederigheid gaat voor de eer.
12Ik, Wijsheid, woon bij de kloekzinnigheid, en vinde de kennis van alle bedachtzaamheid.
13De vreze des HEEREN is, te haten het kwade, de hovaardigheid, en den hoogmoed, en den kwaden weg; Ik haat ook den mond der verkeerdheden.
14Raad en het wezen zijn Mijne; Ik ben het Verstand, Mijne is de Sterkte.
6En het zal geschieden, dat de vastigheid uwer tijden, de sterkte van uw behoudenissen zal zijn wijsheid en kennis; de vreze des HEEREN zal zijn schat zijn.
26In de vreze des HEEREN is een sterk vertrouwen, en Hij zal Zijn kinderen een Toevlucht wezen.
27De vreze des HEEREN is een springader des levens, om af te wijken van de strikken des doods.
7De wijsheid is het voornaamste; verkrijg dan wijsheid, en verkrijg verstand met al uw bezitting.
9Dan zult gij verstaan gerechtigheid, en recht, en billijkheden, en alle goed pad.
10Als de wijsheid in uw hart zal gekomen zijn, en de wetenschap voor uw ziel zal liefelijk zijn;
11Zo zal de bedachtzaamheid over u de wacht houden, de verstandigheid zal u behoeden;
11Want door Mij zullen uw dagen vermenigvuldigen, en de jaren des levens zullen u toegedaan worden.
23De vreze des HEEREN is ten leven; want men zal verzadigd zijnde vernachten; met het kwaad zal men niet bezocht worden.
22Het verstand dergenen, die het bezitten, is een springader des levens; maar de tucht der dwazen is dwaasheid.
11Caph. De jonge leeuwen lijden armoede, en hongeren; maar die den HEERE zoeken, hebben geen gebrek aan enig goed.
9De bevelen des HEEREN zijn recht, verblijdende het hart; het gebod des HEEREN is zuiver, verlichtende de ogen.
4Het loon der nederigheid, met de vreze des HEEREN, is rijkdom, en eer, en leven.
7Zijt niet wijs in uw ogen; vrees den HEERE, en wijk van het kwade.
13Welgelukzalig is de mens, die wijsheid vindt, en de mens, die verstandigheid voortbrengt!
9Zij zijn alle recht voor dengene, die verstandig is, en rechtmatig voor degenen, die wetenschap vinden.
10Neemt Mijn tucht aan, en niet zilver, en wetenschap, meer dan het uitgelezen uitgegraven goud.
18Want in veel wijsheid is veel verdriet; en die wetenschap vermeerdert, vermeerdert smart.
15Het hart der verstandigen bekomt wetenschap, en het oor der wijzen zoekt wetenschap.
27De vreze des HEEREN vermeerdert de dagen; maar de jaren der goddelozen worden verkort.
19De HEERE heeft de aarde door wijsheid gegrond, de hemelen door verstandigheid bereid.
29Daarom, dat zij de wetenschap gehaat hebben, en de vreze des HEEREN niet hebben verkoren.
16De wijze vreest, en wijkt van het kwade; maar de zot is oplopende toornig, en zorgeloos.
3En ik heb geen wijsheid geleerd, noch de wetenschap der heiligen gekend.
12In de stokouden is de wijsheid, en in de langheid der dagen het verstand.
8De wijsheid des kloekzinnigen is zijn weg te verstaan; maar dwaasheid der zotten is bedriegerij.
18Het is goed, dat gij daaraan vasthoudt, en trek ook uw hand van dit niet af; want die God vreest, dien ontgaat dat al.
19De wijsheid versterkt den wijze meer dan tien heerschappers, die in een stad zijn.
14De wijzen leggen wetenschap weg; maar den mond des dwazen is de verstoring nabij.
14Des wijzen leer is een springader des levens, om af te wijken van de strikken des doods.
12Want de wijsheid is tot een schaduw, en het geld is tot een schaduw; maar de uitnemendheid der wetenschap is, dat de wijsheid haar bezitters het leven geeft.
11Dient den HEERE met vreze, en verheugt u met beving.
20Die wijsheid dan, van waar komt zij, en waar is de plaats des verstands?
33Wijsheid rust in het hart des verstandigen; maar wat in het binnenste der zotten is, wordt bekend.