Spreuken 3:7
Zijt niet wijs in uw ogen; vrees den HEERE, en wijk van het kwade.
Zijt niet wijs in uw ogen; vrees den HEERE, en wijk van het kwade.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
28Maar tot den mens heeft Hij gezegd: Zie, de vreze des HEEREN is de wijsheid, en van het kwade te wijken is het verstand.
13De vreze des HEEREN is, te haten het kwade, de hovaardigheid, en den hoogmoed, en den kwaden weg; Ik haat ook den mond der verkeerdheden.
16De wijze vreest, en wijkt van het kwade; maar de zot is oplopende toornig, en zorgeloos.
27Wijk niet ter rechter hand of ter linkerhand, wend uw voet af van het kwade.
7De vrees des HEEREN is het beginsel der wetenschap; de dwazen verachten wijsheid en tucht.
5Vertrouw op den HEERE met uw ganse hart, en steun op uw verstand niet.
6Ken Hem in al uw wegen, en Hij zal uw paden recht maken.
16Wees niet al te rechtvaardig, noch houd uzelven al te wijs; waarom zoudt gij verwoesting over u brengen?
17Wees niet al te goddeloos, noch wees al te dwaas; waarom zoudt gij sterven buiten uw tijd?
18Het is goed, dat gij daaraan vasthoudt, en trek ook uw hand van dit niet af; want die God vreest, dien ontgaat dat al.
8Het zal een medicijn voor uw navel zijn, en een bevochtiging voor uw beenderen.
17Uw hart zij niet nijdig over de zondaren; maar zijt ten allen dage in de vreze des HEEREN.
3Een kloekzinnig mens ziet het kwaad, en verbergt zich; maar de slechten gaan henen door, en worden gestraft.
4Het loon der nederigheid, met de vreze des HEEREN, is rijkdom, en eer, en leven.
5Doornen en strikken, zijn in den weg des verkeerden; die zijn ziel bewaart, zal zich verre van die maken.
14Kom niet op het pad der goddelozen, en treed niet op den weg der bozen.
15Verwerp dien, ga er niet door; wijk er van, en ga voorbij.
10De vreze des HEEREN is het beginsel der wijsheid, en de wetenschap der heiligen is verstand.
23De vreze des HEEREN is ten leven; want men zal verzadigd zijnde vernachten; met het kwaad zal men niet bezocht worden.
6Door goedertierenheid en trouw wordt de misdaad verzoend; en door de vreze des HEEREN wijkt men af van het kwade.
17De baan der oprechten is van het kwaad af te wijken; hij behoedt zijn ziel, die zijn weg bewaart.
33De vreze des HEEREN is de tucht der wijsheid; en de nederigheid gaat voor de eer.
21Wee dengenen, die in hun ogen wijs, en bij zichzelven verstandig zijn!
21Mijn zoon! laat ze niet afwijken van uw ogen; bewaar de bestendige wijsheid en bedachtzaamheid.
25Vrees niet voor haastigen schrik, noch voor de verwoesting der goddelozen, als zij komt.
27De vreze des HEEREN is een springader des levens, om af te wijken van de strikken des doods.
1Een psalm van David, den knecht des HEEREN, voor den opperzangmeester.
27Samech. Wijk af van het kwade, en doe het goede, en woon in eeuwigheid.
15Mijn zoon! wandel niet met hen op den weg; weer uw voet van hun pad.
3De ogen des HEEREN zijn in alle plaatsen, beschouwende de kwaden en de goeden.
14Nun. Bewaar uw tong van het kwaad, en uw lippen van bedrog te spreken.
2Die in zijn oprechtheid wandelt, vreest den HEERE; maar die afwijkt in zijn wegen, veracht Hem.
25Laat uw hart tot haar wegen niet wijken, dwaalt niet op haar paden.
5Dan zult gij de vreze des HEEREN verstaan, en zult de kennis van God vinden.
6Verlaat de slechtigheden, en leeft; en treedt in den weg des verstands.
7Ga weg van de tegenwoordigheid eens zotten mans; want gij zoudt bij hem geen lippen der wetenschap merken.
8De wijsheid des kloekzinnigen is zijn weg te verstaan; maar dwaasheid der zotten is bedriegerij.
3De dwaasheid des mensen zal zijn weg verkeren; en zijn hart zal zich tegen den HEERE vergrammen.
25Laat uw ogen rechtuit zien, en uw oogleden zich recht voor u heen houden.
12De kloekzinnige ziet het kwaad, en verbergt zich; de slechten gaan henen door, en worden gestraft.
3Haast u niet weg te gaan van zijn aangezicht; blijf niet staande in een kwade zaak; want al wat hem lust, doet hij.
33Maar die naar Mij hoort, zal zeker wonen, en hij zal gerust zijn van de vreze des kwaads.
15De weg des dwazen is recht in zijn ogen; maar die naar raad hoort, is wijs.
19Ontsteek u niet over de boosdoeners; zijt niet nijdig over de goddelozen.
10Resch. De vreze des HEEREN is het beginsel der wijsheid; Schin. allen, die ze doen, hebben goed verstand; Thau. Zijn lof bestaat tot in der eeuwigheid.
1Wees niet te snel met uw mond, en uw hart haaste niet een woord voort te brengen voor Gods aangezicht; want God is in den hemel, en gij zijt op de aarde; daarom laat uw woorden weinig zijn.
8He. Laat af van toorn, en verlaat de grimmigheid; ontsteek u niet, immers niet, om kwaad te doen.
7Nu dan, gij kinderen! hoort naar mij, en wijkt niet van de redenen mijns monds.
4Vermoei u niet om rijk te worden; sta af van uw vernuft.
19Uw boosheid zal u kastijden, en uw afkeringen zullen u straffen; weet dan en ziet, dat het kwaad en bitter is, dat gij den HEERE, uw God, verlaat, en Mijn vreze niet bij u is, spreekt de Heere, de HEERE der heirscharen.