Psalmen 37:8

Statenvertaling (States Bible)

He. Laat af van toorn, en verlaat de grimmigheid; ontsteek u niet, immers niet, om kwaad te doen.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Spr 14:29 : 29 De lankmoedige is groot van verstand; maar die haastig is van gemoed, verheft de dwaasheid.
  • Ef 4:31 : 31 Alle bitterheid, en toornigheid, en gramschap, en geroep, en lastering zij van u geweerd, met alle boosheid;
  • Ef 4:26 : 26 Wordt toornig, en zondigt niet; de zon ga niet onder over uw toornigheid;
  • Jak 3:14-18 : 14 Maar indien gij bitteren nijd en twistgierigheid hebt in uw hart, zo roemt en liegt niet tegen de waarheid. 15 Deze is de wijsheid niet, die van boven afkomt, maar is aards, natuurlijk, duivels. 16 Want waar nijd en twistgierigheid is, aldaar is verwarring en alle boze handel. 17 Maar de wijsheid, die van boven is, die is ten eerste zuiver, daarna vreedzaam, bescheiden, gezeggelijk, vol van barmhartigheid en van goede vruchten, niet partijdig oordelende, en ongeveinsd. 18 En de vrucht der rechtvaardigheid wordt in vrede gezaaid voor degenen, die vrede maken.
  • Spr 16:32 : 32 De lankmoedige is beter dan de sterke; en die heerst over zijn geest, dan die een stad inneemt.
  • Job 5:2 : 2 Want den dwaze brengt de toornigheid om, en de ijver doodt den slechte.
  • Kol 3:8 : 8 Maar nu legt ook gij dit alles af, namelijk gramschap, toornigheid, kwaadheid, lastering, vuil spreken uit uw mond.
  • Jak 1:19-20 : 19 Zo dan, mijn geliefde broeders, een iegelijk mens zij ras om te horen, traag om te spreken, traag tot toorn; 20 Want de toorn des mans werkt Gods gerechtigheid niet.
  • Luk 9:54-55 : 54 Als nu Zijn discipelen, Jakobus en Johannes, dat zagen, zeiden zij: Heere, wilt Gij, dat wij zeggen, dat vuur van den hemel nederdale, en dezen verslinde, gelijk ook Elias gedaan heeft? 55 Maar Zich omkerende, bestrafte Hij hen, en zeide: Gij weet niet van hoedanigen geest gij zijt.
  • 1 Sam 25:21-23 : 21 David nu had gezegd: Trouwens ik heb te vergeefs bewaard al wat deze in de woestijn heeft, alzo dat er niets van alles, wat hij heeft, gemist is; en hij heeft mij kwaad voor goed vergolden. 22 Zo doe God aan de vijanden van David, en zo doe Hij daartoe, indien ik van allen, die hij heeft, iets tot morgen overlaat, dat mannelijk is! 23 Toen nu Abigail David zag, zo haastte zij zich, en kwam van den ezel af, en zij viel voor het aangezicht van David op haar aangezicht, en zij boog zich ter aarde.
  • Job 18:4 : 4 O gij, die zijn ziel verscheurt door zijn toorn! Zal om uwentwil de aarde verlaten worden, en zal een rots versteld worden uit haar plaats?
  • Ps 31:22 : 22 Geloofd zij de HEERE, want Hij heeft Zijn goedertierenheid aan mij wonderlijk gemaakt, mij voerende als in een vaste stad.
  • Ps 73:15 : 15 Indien ik zou zeggen: Ik zal ook alzo spreken; ziet, zo zou ik trouweloos zijn aan het geslacht Uwer kinderen.
  • Ps 116:11 : 11 Ik zeide in mijn haasten: Alle mensen zijn leugenaars.
  • Jer 20:14-15 : 14 Vervloekt zij de dag, op welken ik geboren ben; de dag, op welken mijn moeder mij gebaard heeft, zij niet gezegend! 15 Vervloekt zij de man, die mijn vader geboodschapt heeft, zeggende: U is een jonge zoon geboren, verblijdende hem grotelijks!
  • Jona 4:1 : 1 Dit verdroot Jona met groot verdriet, en zijn toorn ontstak.
  • Jona 4:9 : 9 Toen zeide God tot Jona: Is uw toorn billijk ontstoken over den wonderboom? En hij zeide: Billijk is mijn toorn ontstoken ter dood toe.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • 7Daleth. Zwijg den HEERE, en verbeid Hem; ontsteek u niet over dengene, wiens weg voorspoedig is; over een man, die listige aanslagen uitvoert.

  • 1Een psalm van David. Aleph. Ontsteek u niet over de boosdoeners; benijd hen niet, die onrecht doen.

  • Spr 24:17-19
    3 verzen
    82%

    17Verblijd u niet als uw vijand valt; en als hij nederstruikelt, laat uw hart zich niet verheugen;

    18Opdat het de HEERE niet zie, en het kwaad zij in Zijn ogen en Hij Zijn toorn van hem afkere.

    19Ontsteek u niet over de boosdoeners; zijt niet nijdig over de goddelozen.

  • Ef 4:26-27
    2 verzen
    78%

    26Wordt toornig, en zondigt niet; de zon ga niet onder over uw toornigheid;

    27En geeft den duivel geen plaats.

  • 9Zijt niet haastig in uw geest om te toornen; want de toorn rust in den boezem der dwazen.

  • Ps 37:9-11
    3 verzen
    77%

    9Want de boosdoeners zullen uitgeroeid worden, maar die den HEERE verwachten, die zullen de aarde erfelijk bezitten.

    10Vau. En nog een weinig, en de goddeloze zal er niet zijn; en gij zult acht nemen op zijn plaats, maar hij zal er niet wezen.

    11De zachtmoedigen daarentegen zullen de aarde erfelijk bezitten, en zich verlustigen over groten vrede.

  • Spr 3:29-31
    3 verzen
    75%

    29Smeed geen kwaad tegen uw naaste, aangezien hij met vertrouwen bij u woont.

    30Twist met een mens niet zonder oorzaak, zo hij u geen kwaad gedaan heeft.

    31Zijt niet nijdig over een man des gewelds, en verkies geen van zijn wegen.

  • 27Samech. Wijk af van het kwade, en doe het goede, en woon in eeuwigheid.

  • Ps 34:13-14
    2 verzen
    75%

    13Mem. Wie is de man, die lust heeft ten leven, die dagen liefheeft, om het goede te zien?

    14Nun. Bewaar uw tong van het kwaad, en uw lippen van bedrog te spreken.

  • 24Vergezelschap u niet met een grammoedige, en ga niet om met een zeer grimmig man;

  • 22Zeg niet: Ik zal het kwaad vergelden; wacht op den HEERE, en Hij zal u verlossen.

  • 20Want de toorn des mans werkt Gods gerechtigheid niet.

  • 34Koph. Wacht op den HEERE, en houd Zijn weg, en Hij zal u verhogen, om de aarde erfelijk te bezitten; gij zult zien, dat de goddelozen worden uitgeroeid.

  • 18Een grimmig man zal gekijf verwekken; maar de lankmoedige zal den twist stillen.

  • 18Omdat er grimmigheid is, wacht u, dat Hij u misschien niet met een klop wegstote; zodat u een groot rantsoen er niet zou afbrengen.

  • 22Een toornig man verwekt gekijf; en de grammoedige is veelvoudig in overtreding.

  • 1Een zacht antwoord keert de grimmigheid af; maar een smartend woord doet den toorn oprijzen.

  • 3De misdaad Uws volks hebt Gij weggenomen; Gij hebt al hun zonden bedekt. Sela.

  • 17Die haastig is tot toorn, zal dwaasheid doen; en een man van schandelijke verdichtselen zal gehaat worden.

  • 10Als God opstond ten oordeel, om alle zachtmoedigen der aarde te verlossen. Sela.

  • 17Daar houden de bozen op van beroering, en daar rusten de vermoeiden van kracht;

  • 3De dwaasheid des mensen zal zijn weg verkeren; en zijn hart zal zich tegen den HEERE vergrammen.

  • 1Een psalm van David, om te doen gedenken.

  • 31Alle bitterheid, en toornigheid, en gramschap, en geroep, en lastering zij van u geweerd, met alle boosheid;

  • 72%

    10Want wie het leven wil liefhebben, en goede dagen zien, die stille zijn tong van het kwaad, en zijn lippen, dat zij geen bedrog spreken;

    11Die wijke af van het kwade, en doe het goede; die zoeke vrede en jage denzelven na.

  • 29De lankmoedige is groot van verstand; maar die haastig is van gemoed, verheft de dwaasheid.

  • 9Hij zal niet altoos twisten, noch eeuwiglijk den toorn behouden.

  • 3Beth. Vertrouw op den HEERE, en doe het goede; bewoon de aarde, en voed u met getrouwigheid.

  • 17Uw hart zij niet nijdig over de zondaren; maar zijt ten allen dage in de vreze des HEEREN.

  • 5Zal Hij in eeuwigheid den toorn behouden? Zal Hij dien gestadig bewaren? Zie, gij spreekt en doet die boosheden, en neemt de overhand.

  • 4O gij, die zijn ziel verscheurt door zijn toorn! Zal om uwentwil de aarde verlaten worden, en zal een rots versteld worden uit haar plaats?

  • 3Trek mij niet weg met de goddelozen, en met de werkers der ongerechtigheid, die van vrede spreken met hun naasten, maar kwaad is in hun hart.

  • 15Loer niet, o goddeloze! op de woning des rechtvaardigen; verwoest zijn legerplaats niet.

  • 1Zijt niet nijdig over de boze lieden, en laat u niet gelusten, om bij hen te zijn.

  • 6En wandelt andere goden niet na, om die te dienen, en u voor die neder te buigen; en vertoornt Mij niet door uwer handen werk, opdat Ik u geen kwaad doe.

  • 8Vaar niet haastelijk voort om te twisten, opdat gij misschien in het laatste daarvan niet wat doet, als uw naaste u zou mogen beschaamd hebben.

  • 13Die kwaad voor goed vergeldt, het kwaad zal van zijn huis niet wijken.

  • 3Haast u niet weg te gaan van zijn aangezicht; blijf niet staande in een kwade zaak; want al wat hem lust, doet hij.

  • 4Vermoei u niet om rijk te worden; sta af van uw vernuft.

  • 19Wreekt uzelven niet, beminden, maar geeft den toorn plaats; want er is geschreven: Mij komt de wraak toe; Ik zal het vergelden, zegt de Heere.

  • 23Doch Gij, HEERE! weet al hun raad tegen mij ten dode; maak geen verzoening over hun ongerechtigheid, en delg hun zonde niet uit van voor Uw aangezicht; maar laat hen nedergeveld worden voor Uw aangezicht; handel alzo met hen, ten tijde Uws toorns.