Spreuken 22:24
Vergezelschap u niet met een grammoedige, en ga niet om met een zeer grimmig man;
Vergezelschap u niet met een grammoedige, en ga niet om met een zeer grimmig man;
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
25Opdat gij zijn paden niet leert, en een strik over uw ziel haalt.
26Wees niet onder degenen, die in de hand klappen, onder degenen, die voor schulden borg zijn.
22Een toornig man verwekt gekijf; en de grammoedige is veelvoudig in overtreding.
17Die haastig is tot toorn, zal dwaasheid doen; en een man van schandelijke verdichtselen zal gehaat worden.
1Zijt niet nijdig over de boze lieden, en laat u niet gelusten, om bij hen te zijn.
26Wordt toornig, en zondigt niet; de zon ga niet onder over uw toornigheid;
8He. Laat af van toorn, en verlaat de grimmigheid; ontsteek u niet, immers niet, om kwaad te doen.
9Zijt niet haastig in uw geest om te toornen; want de toorn rust in den boezem der dwazen.
17Verblijd u niet als uw vijand valt; en als hij nederstruikelt, laat uw hart zich niet verheugen;
18Opdat het de HEERE niet zie, en het kwaad zij in Zijn ogen en Hij Zijn toorn van hem afkere.
19Ontsteek u niet over de boosdoeners; zijt niet nijdig over de goddelozen.
18Een grimmig man zal gekijf verwekken; maar de lankmoedige zal den twist stillen.
8Vaar niet haastelijk voort om te twisten, opdat gij misschien in het laatste daarvan niet wat doet, als uw naaste u zou mogen beschaamd hebben.
24Een man, die vrienden heeft, heeft zich vriendelijk te houden; want er is een liefhebber, die meer aankleeft dan een broeder.
17Spaar uw voet van het huis uws naasten, opdat hij niet zat van u worde, en u hate.
14Kom niet op het pad der goddelozen, en treed niet op den weg der bozen.
15Verwerp dien, ga er niet door; wijk er van, en ga voorbij.
30Twist met een mens niet zonder oorzaak, zo hij u geen kwaad gedaan heeft.
31Zijt niet nijdig over een man des gewelds, en verkies geen van zijn wegen.
15Mijn zoon! wandel niet met hen op den weg; weer uw voet van hun pad.
28Een verkeerd man zal krakeel inwerpen; en een oorblazer scheidt den voornaamsten vriend.
29Een man des gewelds verlokt zijn naaste, en hij leidt hem in een weg, die niet goed is.
19Die groot is van grimmigheid, zal straf dragen; want zo gij hem uitredt, zo zult gij nog moeten voortvaren.
21Mijn zoon! vrees den HEERE en den koning; vermeng u niet met hen, die naar verandering staan;
29De lankmoedige is groot van verstand; maar die haastig is van gemoed, verheft de dwaasheid.
18Gelijk een, die zich veinst te razen, die vuursprankelen, pijlen en dodelijke dingen werpt;
3Doe nu dit, mijn zoon! en red u, dewijl gij in de hand uws naasten gekomen zijt; ga, onderwerp uzelven, en sterk uw naaste.
18Een verstandeloos mens klapt in de hand, zich borg stellende bij zijn naaste.
18Omdat er grimmigheid is, wacht u, dat Hij u misschien niet met een klop wegstote; zodat u een groot rantsoen er niet zou afbrengen.
1Een zacht antwoord keert de grimmigheid af; maar een smartend woord doet den toorn oprijzen.
20Want de toorn des mans werkt Gods gerechtigheid niet.
21Gewen u toch aan Hem, en heb vrede; daardoor zal u het goede overkomen.
19Het is beter te wonen in een woest land, dan bij een zeer kijfachtige en toornige huisvrouw.
4Antwoord den zot naar zijn dwaasheid niet, opdat gij ook hem niet gelijk wordt.
2De schrik des konings is als het brullen eens jongen leeuws; die zich tegen hem vergramt, zondigt tegen zijn ziel.
8En gaat over weg in gezelschap met de werkers der ongerechtigheid, en wandelt met goddeloze lieden.
3De dwaasheid des mensen zal zijn weg verkeren; en zijn hart zal zich tegen den HEERE vergrammen.
15Loer niet, o goddeloze! op de woning des rechtvaardigen; verwoest zijn legerplaats niet.
10Verlaat uw vriend, noch den vriend uws vaders niet; en ga ten huize uws broeders niet op den dag van uw tegenspoed. Beter is een gebuur die nabij is, dan een broeder, die verre is.
7Ga weg van de tegenwoordigheid eens zotten mans; want gij zoudt bij hem geen lippen der wetenschap merken.
29Zeg niet: Gelijk als hij mij gedaan heeft, zo zal ik hem doen; ik zal een ieder vergelden naar zijn werk.
20Die met de wijzen omgaat, zal wijs worden; maar die der zotten metgezel is, zal verbroken worden.
6En wandelt andere goden niet na, om die te dienen, en u voor die neder te buigen; en vertoornt Mij niet door uwer handen werk, opdat Ik u geen kwaad doe.
34Want jaloersheid is een grimmigheid des mans; en in den dag der wraak zal hij niet verschonen.
4Grimmigheid en overloping van toorn is wreedheid; maar wie zal voor nijdigheid bestaan?
24Die met een dief deelt, haat zijn ziel; hij hoort een vloek, en hij geeft het niet te kennen.
2Want den dwaze brengt de toornigheid om, en de ijver doodt den slechte.
4Overspelers en overspeleressen, weet gij niet, dat de vriendschap der wereld een vijandschap Gods is? Zo wie dan een vriend der wereld wil zijn, die wordt een vijand van God gesteld.
14Een gift in het verborgene houdt den toorn onder, en een geschenk in den schoot de sterke grimmigheid.