Job 5:2
Want den dwaze brengt de toornigheid om, en de ijver doodt den slechte.
Want den dwaze brengt de toornigheid om, en de ijver doodt den slechte.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
3Ik heb gezien een dwaas wortelende; doch terstond vervloekte ik zijn woning.
3Een steen is zwaar, en het zand gewichtig; maar de toornigheid des dwazen is zwaarder dan die beide.
4Grimmigheid en overloping van toorn is wreedheid; maar wie zal voor nijdigheid bestaan?
16De wijze vreest, en wijkt van het kwade; maar de zot is oplopende toornig, en zorgeloos.
17Die haastig is tot toorn, zal dwaasheid doen; en een man van schandelijke verdichtselen zal gehaat worden.
18De slechten erven dwaasheid; maar de kloekzinnigen zullen zich met wetenschap kronen.
3De dwaasheid des mensen zal zijn weg verkeren; en zijn hart zal zich tegen den HEERE vergrammen.
3Want ik was nijdig op de dwazen, ziende der goddelozen vrede.
34Want jaloersheid is een grimmigheid des mans; en in den dag der wraak zal hij niet verschonen.
29De lankmoedige is groot van verstand; maar die haastig is van gemoed, verheft de dwaasheid.
30Een gezond hart is het leven des vleses; maar nijd is verrotting der beenderen.
32Want de afkering der slechten zal hen doden, en de voorspoed der zotten zal hen verderven.
1Roep nu, zal er iemand zijn, die u antwoorde? En tot wien van de heiligen zult gij u keren?
22Een toornig man verwekt gekijf; en de grammoedige is veelvoudig in overtreding.
9Zijt niet haastig in uw geest om te toornen; want de toorn rust in den boezem der dwazen.
18Gelijk een, die zich veinst te razen, die vuursprankelen, pijlen en dodelijke dingen werpt;
18Die den haat bedekt, is van valse lippen, en die een kwaad gerucht voortbrengt, is een zot.
5Antwoord den zot naar zijn dwaasheid, opdat hij in zijn ogen niet wijs zij.
1Een zacht antwoord keert de grimmigheid af; maar een smartend woord doet den toorn oprijzen.
2De tong der wijzen maakt de wetenschap goed; maar de mond der zotten stort overvloediglijk dwaasheid uit.
25Een zotte zoon is een verdriet voor zijn vader, en bittere droefheid voor degene, die hem gebaard heeft.
9Een wijs man, met een dwaas man in rechten zich begeven hebbende, hetzij dat hij beroerd is of lacht, zo is er toch geen rust.
3In den mond des dwazen is een roede des hoogmoeds; maar de lippen der wijzen bewaren hen.
18Een grimmig man zal gekijf verwekken; maar de lankmoedige zal den twist stillen.
23Het is voor den zot als spel, schandelijkheid te doen; maar voor een man van verstand, wijsheid te plegen.
6De lippen des zots komen in twist, en zijn mond roept naar slagen.
20Want de toorn des mans werkt Gods gerechtigheid niet.
11Een zot laat zijn gansen geest uit, maar de wijze wederhoudt dien achterwaarts.
23Hij zal sterven, omdat hij zonder tucht geweest is, en in de grootheid zijner dwaasheid zal hij verdwalen.
5Of meent gij, dat de Schrift tevergeefs zegt: De Geest, Die in ons woont, heeft Die lust tot nijdigheid?
16De toorn des dwazen wordt ten zelven dage bekend; maar die kloekzinnig is, bedekt de schande.
7Ga weg van de tegenwoordigheid eens zotten mans; want gij zoudt bij hem geen lippen der wetenschap merken.
8De wijsheid des kloekzinnigen is zijn weg te verstaan; maar dwaasheid der zotten is bedriegerij.
9Elke dwaas zal de schuld verbloemen; maar onder de oprechten is goedwilligheid.
8He. Laat af van toorn, en verlaat de grimmigheid; ontsteek u niet, immers niet, om kwaad te doen.
18Omdat er grimmigheid is, wacht u, dat Hij u misschien niet met een klop wegstote; zodat u een groot rantsoen er niet zou afbrengen.
6Want gelijk het geluid der doornen onder een pot is, alzo is het lachen eens zots. Dit is ook ijdelheid.
7Voorwaar, de onderdrukking zou wel een wijze dol maken; en het geschenk verderft het hart.
36Maar die tegen Mij zondigt, doet zijn ziel geweld aan; allen, die Mij haten, hebben den dood lief.
5Want Gij zijt geen God, Die lust heeft aan goddeloosheid; de boze zal bij U niet verkeren.
5Een dwaas zal de tucht zijns vaders versmaden; maar die de bestraffing waarneemt, zal kloekzinniglijk handelen.
2De schrik des konings is als het brullen eens jongen leeuws; die zich tegen hem vergramt, zondigt tegen zijn ziel.
14De grimmigheid des konings is als de boden des doods; maar een wijs man zal die verzoenen.
21De dwaasheid is den verstandeloze blijdschap; maar een man van verstand zal recht wandelen.
25De begeerte des luiaards zal hem doden, want zijn handen weigeren te werken.
21Wie een zot genereert, die zal hem tot droefheid zijn; en de vader des dwazen zal zich niet verblijden.
6O HEERE! hoe groot zijn Uw werken! zeer diep zijn Uw gedachten.
19Ontsteek u niet over de boosdoeners; zijt niet nijdig over de goddelozen.
13Het begin der woorden zijns monds is dwaasheid, en het einde zijns monds is boze dolligheid.
20Hebt gij een man gezien, die haastig in zijn woorden is? Van een zot is meer verwachting dan van hem.