Spreuken 10:18

Statenvertaling (States Bible)

Die den haat bedekt, is van valse lippen, en die een kwaad gerucht voortbrengt, is een zot.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • 1 Sam 18:21-22 : 21 En Saul zeide: Ik zal haar hem geven, dat zij hem tot een valstrik zij, en dat de hand der Filistijnen tegen hem zij. Daarom zeide Saul tot David: Met de andere zult gij heden mijn schoonzoon worden. 22 En Saul gebood zijn knechten: Spreekt met David in het heimelijke, zeggende: Zie, de koning heeft lust aan u, en al zijn knechten hebben u lief; word dan nu des konings schoonzoon.
  • 1 Sam 18:29 : 29 Toen vreesde zich Saul nog meer voor David; en Saul was David een vijand al zijn dagen.
  • 2 Sam 3:27 : 27 Als nu Abner weder te Hebron kwam, zo leidde Joab hem ter zijde af in het midden der poort, om in de stilte met hem te spreken; en hij sloeg hem aldaar aan de vijfde, dat hij stierf, om des bloeds wil van zijn broeder Asahel.
  • 2 Sam 11:8-9 : 8 Daarna zeide David tot Uria: Ga af naar uw huis, en was uw voeten. En toen Uria uit des konings huis uitging, volgde hem een gerecht des konings achterna. 9 Maar Uria legde zich neder voor de deur van des konings huis, met al de knechten zijns heren; en hij ging niet af in zijn huis. 10 En zij gaven het David te kennen, zeggende: Uria is niet afgegaan in zijn huis. Toen zeide David tot Uria: Komt gij niet van de reis? Waarom zijt gij niet afgegaan in uw huis? 11 En Uria zeide tot David: De ark, en Israel, en Juda blijven in de tenten; en mijn heer Joab, en de knechten mijns heren zijn gelegerd op het open veld, en zou ik in mijn huis gaan, om te eten en te drinken, en bij mijn huisvrouw te liggen? Zo waarachtig als gij leeft en uw ziel leeft, indien ik deze zaak doen zal! 12 Toen zeide David tot Uria: Blijf ook heden hier, zo zal ik u morgen afzenden. Alzo bleef Uria te Jeruzalem, dien dag en den anderen dag. 13 En David nodigde hem, zodat hij voor zijn aangezicht at en dronk, en hij maakte hem dronken. Daarna ging hij in den avond uit, om zich neder te leggen op zijn leger, met zijns heren knechten, maar ging niet af in zijn huis. 14 Des morgens nu geschiedde het, dat David een brief schreef aan Joab; en hij zond dien door de hand van Uria. 15 En hij schreef in dien brief, zeggende: Stel Uria vooraan tegenover den sterksten strijd, en keer van achter hem af, opdat hij geslagen worde en sterve.
  • 2 Sam 13:23-29 : 23 En het geschiedde, na twee volle jaren, dat Absalom, schaaps scheerders had te Baal-Hazor, dat bij Efraim is; zo nodigde Absalom al des konings zonen. 24 En Absalom kwam tot den koning, en zeide: Zie, nu heeft uw knecht schaaps scheerders; dat toch de koning en zijn knechten met uw knecht gaan. 25 Maar de koning zeide tot Absalom: Niet, mijn zoon, laat ons toch niet al te zamen gaan, opdat wij u niet bezwaarlijk zijn; en hij hield bij hem aan, doch hij wilde niet gaan, maar zegende hem. 26 Toen zeide Absalom: Zo niet, laat toch mijn broeder Amnon met ons gaan. Maar de koning zeide tot hem: Waarom zou hij met u gaan? 27 Als Absalom bij hem aanhield, zo liet hij Amnon en al des konings zonen met hem gaan. 28 Absalom nu gebood zijn jongens, zeggende: Let er nu op, als Amnons hart vrolijk is van den wijn, en ik tot ulieden zal zeggen: Slaat Amnon, dan zult gij hem doden; vreest niet; is het niet, omdat ik het u geboden heb? Zijt sterk en weest dapper. 29 En Absaloms jongens deden aan Amnon, gelijk als Absalom geboden had. Toen stonden alle zonen des konings op, en reden een iegelijk op zijn muildier, en vloden.
  • 2 Sam 20:9-9 : 9 En Joab zeide tot Amasa: Is het wel met u, mijn broeder? En Joab vatte met de rechterhand den baard van Amasa, om hem te kussen. 10 En Amasa hoedde zich niet voor het zwaard, dat in Joabs hand was; zo sloeg hij hem daarmede aan de vijfde rib, en hij stortte zijn ingewand ter aarde uit, en hij sloeg hem niet ten tweeden male, en hij stierf. Toen jaagden Joab en zijn broeder Abisai, Seba, den zoon van Bichri, achterna.
  • Ps 5:9 : 9 HEERE! Leid mij in Uw gerechtigheid, om mijner verspieders wil; richt Uw weg voor mijn aangezicht.
  • Ps 12:2 : 2 Behoud, o HEERE; want de goedertierene ontbreekt, want de getrouwen zijn weinig geworden onder de mensenkinderen.
  • Ps 15:3 : 3 Die met zijn tong niet achterklapt, zijn metgezellen geen kwaad doet, en geen smaadrede opneemt tegen zijn naaste;
  • Ps 50:20 : 20 Gij zit, gij spreekt tegen uw broeder; tegen den zoon uwer moeder geeft gij lastering uit.
  • Ps 55:21 : 21 Hij slaat zijn handen aan degenen, die vrede met Hem hadden; hij ontheiligt Zijn verbond.
  • Ps 101:5 : 5 Die zijn naaste in het heimelijke achterklapt; dien zal ik verdelgen; die hoog van ogen is, en trots van hart, die zal ik niet vermogen.
  • Spr 26:24-26 : 24 Die haat draagt, gelaat zich vreemd met zijn lippen; maar in zijn binnenste stelt hij bedrog aan. 25 Als hij met zijn stem smeekt, geloof hem niet, want zeven gruwelen zijn in zijn hart. 26 Wiens haat door bedrog bedekt is, diens boosheid zal in de gemeente geopenbaard worden.
  • Luk 20:20-21 : 20 En zij namen Hem waar, en zonden verspieders uit, die zichzelven veinsden rechtvaardig te zijn; opdat zij Hem in Zijn rede vangen mochten, om Hem aan de heerschappij en de macht des stadhouders over te leveren. 21 En zij vraagden Hem, zeggende: Meester, wij weten, dat Gij recht spreekt en leert, en den persoon niet aanneemt, maar den weg Gods leert in der waarheid.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • 24Die haat draagt, gelaat zich vreemd met zijn lippen; maar in zijn binnenste stelt hij bedrog aan.

  • 19In de veelheid der woorden ontbreekt de overtreding niet; maar die zijn lippen wederhoudt, is kloek verstandig.

  • Spr 14:16-17
    2 verzen
    78%

    16De wijze vreest, en wijkt van het kwade; maar de zot is oplopende toornig, en zorgeloos.

    17Die haastig is tot toorn, zal dwaasheid doen; en een man van schandelijke verdichtselen zal gehaat worden.

  • Spr 10:8-10
    3 verzen
    78%

    8Die wijs van hart is, neemt de geboden aan; maar die dwaas is van lippen, zal omgeworpen worden.

    9Die in oprechtheid wandelt, wandelt zeker; maar die zijn wegen verkeert, zal bekend worden.

    10Die met het oog wenkt, richt smart aan; en een dwaas van lippen zal omgeworpen worden.

  • 77%

    12De woorden van een wijzen mond zijn aangenaam; maar de lippen van een zot verslinden hemzelve.

    13Het begin der woorden zijns monds is dwaasheid, en het einde zijns monds is boze dolligheid.

  • 23Een kloekzinnig mens bedekt de wetenschap; maar het hart der zotten roept dwaasheid uit.

  • 20Wie verdraaid is van hart, zal het goede niet vinden; en die verkeerd is met zijn tong, zal in het kwaad vallen.

  • Spr 18:6-8
    3 verzen
    77%

    6De lippen des zots komen in twist, en zijn mond roept naar slagen.

    7De mond des zots is hemzelven een verstoring, en zijn lippen een strik zijner ziel.

    8De woorden des oorblazers zijn als dergenen, die geslagen zijn, en die dalen in het binnenste des buiks.

  • 19Die als een achterklapper wandelt, openbaart het heimelijke; vermeng u dan niet met hem, die met zijn lippen verlokt.

  • 11Een zot laat zijn gansen geest uit, maar de wijze wederhoudt dien achterwaarts.

  • 26Wiens haat door bedrog bedekt is, diens boosheid zal in de gemeente geopenbaard worden.

  • 4De boosdoener merkt op de ongerechtige lip; een leugenaar neigt het oor tot de verkeerde tong.

  • 28Een valse tong haat degenen, die zij verbrijzelt; en een gladde mond maakt omstoting.

  • 7Zijn mond is vol van vloek, en bedriegerijen, en list; onder zijn tong is moeite en ongerechtigheid.

  • 1De arme, in zijn oprechtheid wandelende, is beter dan de verkeerde van lippen, en die een zot is.

  • 2De tong der wijzen maakt de wetenschap goed; maar de mond der zotten stort overvloediglijk dwaasheid uit.

  • 9Spreek niet voor het oor van een zot, want hij zou het verstand uwer woorden verachten.

  • 17Het pad tot het leven is desgenen die de tucht bewaart; maar die de bestraffing verlaat, doet dwalen.

  • 3In den mond des dwazen is een roede des hoogmoeds; maar de lippen der wijzen bewaren hen.

  • Spr 12:16-17
    2 verzen
    74%

    16De toorn des dwazen wordt ten zelven dage bekend; maar die kloekzinnig is, bedekt de schande.

    17Die waarheid voortbrengt, maakt gerechtigheid bekend; maar een getuige der valsheden, bedrog.

  • 18HEERE! laat mij niet beschaamd worden, want ik roep U aan; laat de goddelozen beschaamd worden, laat hen zwijgen in het graf.

  • 16Al wie kloekzinnig is, handelt met wetenschap; maar een zot breidt dwaasheid uit.

  • 19Een vals getuige, die leugenen blaast; en die tussen broederen krakelen inwerpt.

  • Ps 36:2-3
    2 verzen
    74%

    2De overtreding des goddelozen spreekt in het binnenste van mijn hart: Er is geen vreze Gods voor zijn ogen.

    3Want hij vleit zichzelven in zijn ogen, als men zijn ongerechtigheid bevindt, die te haten is.

  • 3Die met zijn tong niet achterklapt, zijn metgezellen geen kwaad doet, en geen smaadrede opneemt tegen zijn naaste;

  • 9De gedachte der dwaasheid is zonde; en een spotter is den mens een gruwel.

  • Spr 14:7-8
    2 verzen
    74%

    7Ga weg van de tegenwoordigheid eens zotten mans; want gij zoudt bij hem geen lippen der wetenschap merken.

    8De wijsheid des kloekzinnigen is zijn weg te verstaan; maar dwaasheid der zotten is bedriegerij.

  • 2De zot heeft geen lust aan verstandigheid, maar daarin, dat zijn hart zich ontdekt.

  • 19Alzo is een man, die zijn naaste bedriegt, en zegt: Jok ik er niet mede?

  • 3En ook wanneer de dwaas op den weg wandelt, zijn hart ontbreekt hem, en hij zegt tot een iegelijk, dat hij dwaas is.

  • 30Hij sluit zijn ogen, om verkeerdheden te bedenken; zijn lippen bijtende, volbrengt hij het kwaad.

  • 28Een dwaas zelfs, die zwijgt, zal wijs geacht worden, en die zijn lippen toesluit, verstandig.

  • 5Een dwaas zal de tucht zijns vaders versmaden; maar die de bestraffing waarneemt, zal kloekzinniglijk handelen.

  • 13Die als een achterklapper wandelt, openbaart het heimelijke; maar die getrouw is van geest, bedekt de zaak.

  • 5De rechtvaardige haat leugentaal; maar de goddeloze maakt zich stinkende, en doet zich schaamte aan.

  • 7De lippen der wijzen zullen de wetenschap uitstrooien; maar het hart der zotten niet alzo.

  • 28Een verkeerd man zal krakeel inwerpen; en een oorblazer scheidt den voornaamsten vriend.

  • 20Hebt gij een man gezien, die haastig in zijn woorden is? Van een zot is meer verwachting dan van hem.

  • 5Antwoord den zot naar zijn dwaasheid, opdat hij in zijn ogen niet wijs zij.

  • 14De wijzen leggen wetenschap weg; maar den mond des dwazen is de verstoring nabij.

  • 12Haat verwekt krakelen; maar de liefde dekt alle overtredingen toe.