Spreuken 15:18

Statenvertaling (States Bible)

Een grimmig man zal gekijf verwekken; maar de lankmoedige zal den twist stillen.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Spr 26:21 : 21 De dove kool is om de vurige kool, en het hout om het vuur; alzo is een kijfachtig man, om twist te ontsteken.
  • Spr 29:22 : 22 Een toornig man verwekt gekijf; en de grammoedige is veelvoudig in overtreding.
  • Pred 10:4 : 4 Als de geest des heersers tegen u oprijst, verlaat uw plaats niet; want het is medicijn, het stilt grote zonden.
  • Matt 5:9 : 9 Zalig zijn de vreedzamen; want zij zullen Gods kinderen genaamd worden.
  • Hand 6:1-5 : 1 En in dezelfde dagen, als de discipelen vermenigvuldigden, ontstond een murmurering der Grieksen tegen de Hebreen, omdat hun weduwen in de dagelijkse bediening verzuimd werden. 2 En de twaalven riepen de menigte der discipelen tot zich, en zeiden: Het is niet behoorlijk, dat wij het Woord Gods nalaten, en de tafelen dienen. 3 Ziet dan om, broeders, naar zeven mannen uit u, die goede getuigenis hebben, vol des Heiligen Geestes en der wijsheid, welke wij mogen stellen over deze nodige zaak. 4 Maar wij zullen volharden in het gebed, en in de bediening des Woords. 5 En dit woord behaagde aan al de menigte; en zij verkoren Stefanus, een man vol des geloofs en des Heiligen Geestes, en Filippus, en Prochorus, en Nicanor, en Timon, en Parmenas, en Nicolaus, een Jodengenoot van Antiochie;
  • Spr 28:25 : 25 Die grootmoedig is, verwekt gekijf; maar die op den HEERE vertrouwt, zal vet worden.
  • Spr 14:29 : 29 De lankmoedige is groot van verstand; maar die haastig is van gemoed, verheft de dwaasheid.
  • Spr 15:1 : 1 Een zacht antwoord keert de grimmigheid af; maar een smartend woord doet den toorn oprijzen.
  • Spr 16:28 : 28 Een verkeerd man zal krakeel inwerpen; en een oorblazer scheidt den voornaamsten vriend.
  • Spr 25:15 : 15 Een overste wordt door lankmoedigheid overreed; en een zachte tong breekt het gebeente.
  • Gen 13:8-9 : 8 En Abram zeide tot Lot: Laat toch geen twisting zijn tussen mij en tussen u, en tussen mijn herders en tussen uw herders; want wij zijn mannen broeders. 9 Is niet het ganse land voor uw aangezicht? Scheid u toch van mij; zo gij de linkerhand kiest, zo zal ik ter rechterhand gaan; en zo gij de rechterhand, zo zal ik ter linkerhand gaan.
  • Richt 8:1-3 : 1 Toen zeiden de mannen van Efraim tot hem: Wat stuk is dit, dat gij ons gedaan hebt, dat gij ons niet riept, toen gij heentoogt om te strijden tegen de Midianieten? En zij twistten sterk met hem. 2 Hij daarentegen zeide tot hen: Wat heb ik nu gedaan, gelijk gijlieden; zijn niet de nalezingen van Efraim beter dan de wijnoogst van Abi-ezer? 3 God heeft de vorsten der Midianieten, Oreb en Zeeb, in uw hand gegeven; wat heb ik dan kunnen doen, gelijk gijlieden? Toen liet hun toorn van hem af, als hij dit woord sprak.
  • 1 Sam 25:24-44 : 24 En zij viel aan zijn voeten en zeide: Och, mijn heer, mijn zij de misdaad, en laat toch uw dienstmaagd voor uw oren spreken, en hoor de woorden uwer dienstmaagd. 25 Mijn heer stelle toch zijn hart niet aan dezen Belials man, aan Nabal; want gelijk zijn naam is, alzo is hij; zijn naam is Nabal, en dwaasheid is bij hem; en ik, uw dienstmaagd, heb de jongelingen van mijn heer niet gezien, die gij gezonden hebt. 26 En nu, mijn heer! zo waarachtig als de HEERE leeft, en uw ziel leeft, het is de HEERE, Die u verhinderd heeft van te komen met bloedstorting, dat uw hand u zou verlossen; en nu, dat als Nabal worden uw vijanden, en die tegen mijn heer kwaad zoeken! 27 En nu, dit is de zegen, dien uw dienstmaagd mijn heer toegebracht heeft, dat hij gegeven worde den jongelingen, die mijns heren voetstappen nawandelen. 28 Vergeef toch aan uw dienstmaagd de overtreding, want de HEERE zal zekerlijk mijn heer een bestendig huis maken, dewijl mijn heer de oorlogen des HEEREN oorloogt, en geen kwaad bij u gevonden is van uw dagen af. 29 Wanneer een mens opstaan zal om u te vervolgen, en om uw ziel te zoeken, zo zal de ziel mijns heren ingebonden zijn in het bundeltje der levenden bij den HEERE, uw God; maar de ziel uwer vijanden zal Hij slingeren uit het midden van de holligheid des slingers. 30 En het zal geschieden, als de HEERE mijn heer naar al het goede doen zal, dat Hij over u gesproken heeft, en Hij u gebieden zal een voorganger te zijn over Israel; 31 Zo zal dit u, mijn heer, niet zijn tot wankeling, noch aanstoot des harten, te weten, dat gij bloed zonder oorzaak zoudt vergoten hebben, en dat mijn heer zichzelven zou verlost hebben; en als de HEERE mijn heer weldoen zal, zo zult gij uwer dienstmaagd gedenken. 32 Toen zeide David tot Abigail: Gezegend zij de HEERE, de God Israels, Die u te dezen dage mij tegemoet gezonden heeft! 33 En gezegend zij uw raad en gezegend zijt gij, dat gij mij te dezen dage geweerd hebt, van te komen met bloedstorting, dat mijn hand mij verlost zou hebben! 34 Want voorzeker, de HEERE, de God Israels, leeft, Die mij verhinderd heeft, van u kwaad te doen, dat, ten ware dat gij u gehaast hadt, en mij tegemoet gekomen waart, zo ware van Nabal niemand, die mannelijk is, overgebleven tot het morgenlicht! 35 Toen nam David uit haar hand, wat zij hem gebracht had; en hij zeide tot haar: Trek met vrede op naar uw huis; zie, ik heb naar uw stem gehoord, en heb uw aangezicht aangenomen. 36 Toen nu Abigail tot Nabal kwam, ziet, zo had hij een maaltijd in zijn huis, als eens konings maaltijd; en het hart van Nabal was vrolijk op denzelven, en hij was zeer dronken; daarom gaf zij hem niet een woord, klein noch groot, te kennen, tot aan het morgenlicht. 37 Het geschiedde nu in den morgen, toen de wijn van Nabal gegaan was, zo gaf hem zijn huisvrouw die woorden te kennen. Toen bestierf zijn hart in het binnenste van hem, en hij werd als een steen. 38 En het geschiedde omtrent na tien dagen, zo sloeg de HEERE Nabal, dat hij stierf. 39 Toen David hoorde, dat Nabal dood was, zo zeide hij: Gezegend zij de HEERE, Die den twist mijner smaadheid getwist heeft van de hand van Nabal, en heeft zijn knecht onthouden van het kwade, en dat de HEERE het kwaad van Nabal op zijn hoofd heeft doen wederkeren! En David zond heen, en liet met Abigail spreken, dat hij ze zich ter vrouwe nam. 40 Als nu de knechten van David tot Abigail gekomen waren te Karmel, zo spraken zij tot haar, zeggende: David heeft ons tot u gezonden, dat hij zich u ter vrouwe neme. 41 Toen stond zij op, en neigde zich met het aangezicht ter aarde, en zij zeide: Ziet, uw dienstmaagd zij tot een dienares, om de voeten der knechten mijns heren te wassen. 42 Abigail nu haastte, en maakte zich op, en zij reed op een ezel, met haar vijf jonge maagden, die haar voetstappen nawandelden; zij dan volgde de boden van David na, en zij werd hem ter huisvrouw. 43 Ook nam David Ahinoam van Jizreel; alzo waren ook die beiden hem tot vrouwen. 44 Want Saul had zijn dochter Michal, de huisvrouw van David, gegeven aan Palti, den zoon van Lais, die van Gallim was.
  • 2 Sam 19:43-20:1 : 43 En de mannen van Israel antwoordden den mannen van Juda, en zeiden: Wij hebben tien delen aan den koning, en ook aan David, wij, meer dan gij; waarom hebt gij ons dan gering geacht, dat ons woord niet het eerste geweest is, om onzen koning weder te halen? Maar het woord der mannen van Juda was harder dan het woord der mannen van Israel. 1 Toen was daar bij geval een Belials man, wiens naam was Seba, een zoon van Bichri, een man van Jemini; die blies met de bazuin, en zeide: Wij hebben geen deel aan David, en wij hebben geen erfenis aan den zoon van Isai, een iegelijk naar zijn tenten, o Israel!
  • Spr 10:12 : 12 Haat verwekt krakelen; maar de liefde dekt alle overtredingen toe.
  • Jak 1:19-20 : 19 Zo dan, mijn geliefde broeders, een iegelijk mens zij ras om te horen, traag om te spreken, traag tot toorn; 20 Want de toorn des mans werkt Gods gerechtigheid niet.
  • Jak 3:14-16 : 14 Maar indien gij bitteren nijd en twistgierigheid hebt in uw hart, zo roemt en liegt niet tegen de waarheid. 15 Deze is de wijsheid niet, die van boven afkomt, maar is aards, natuurlijk, duivels. 16 Want waar nijd en twistgierigheid is, aldaar is verwarring en alle boze handel.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Spr 29:22-23
    2 verzen
    85%

    22Een toornig man verwekt gekijf; en de grammoedige is veelvoudig in overtreding.

    23De hoogmoed des mensen zal hem vernederen; maar de nederige van geest zal de eer vasthouden.

  • 1Een zacht antwoord keert de grimmigheid af; maar een smartend woord doet den toorn oprijzen.

  • 29De lankmoedige is groot van verstand; maar die haastig is van gemoed, verheft de dwaasheid.

  • 17Die haastig is tot toorn, zal dwaasheid doen; en een man van schandelijke verdichtselen zal gehaat worden.

  • 14Het begin des krakeels is gelijk een, die het water opening geeft; daarom verlaat den twist, eer hij zich vermengt.

  • 32De lankmoedige is beter dan de sterke; en die heerst over zijn geest, dan die een stad inneemt.

  • Spr 16:28-29
    2 verzen
    76%

    28Een verkeerd man zal krakeel inwerpen; en een oorblazer scheidt den voornaamsten vriend.

    29Een man des gewelds verlokt zijn naaste, en hij leidt hem in een weg, die niet goed is.

  • 17Beter is een gerecht van groen moes, waar ook liefde is, dan een gemeste os, en haat daarbij.

  • 21De dove kool is om de vurige kool, en het hout om het vuur; alzo is een kijfachtig man, om twist te ontsteken.

  • Spr 20:2-3
    2 verzen
    75%

    2De schrik des konings is als het brullen eens jongen leeuws; die zich tegen hem vergramt, zondigt tegen zijn ziel.

    3Het is eer voor een man, van twist af te blijven; maar ieder dwaas zal er zich in mengen.

  • 11Het verstand des mensen vertrekt zijn toorn; en zijn sieraad is de overtreding voorbij te gaan.

  • 25Die grootmoedig is, verwekt gekijf; maar die op den HEERE vertrouwt, zal vet worden.

  • 14Een gift in het verborgene houdt den toorn onder, en een geschenk in den schoot de sterke grimmigheid.

  • Jak 1:19-20
    2 verzen
    74%

    19Zo dan, mijn geliefde broeders, een iegelijk mens zij ras om te horen, traag om te spreken, traag tot toorn;

    20Want de toorn des mans werkt Gods gerechtigheid niet.

  • 19Die het gekijf liefheeft, heeft de overtreding lief; die zijn deur verhoogt, zoekt verbreking.

  • 14De grimmigheid des konings is als de boden des doods; maar een wijs man zal die verzoenen.

  • 9Zijt niet haastig in uw geest om te toornen; want de toorn rust in den boezem der dwazen.

  • 8He. Laat af van toorn, en verlaat de grimmigheid; ontsteek u niet, immers niet, om kwaad te doen.

  • 19De weg des luiaards is als een doornheg; maar het pad der oprechten is wel gebaand.

  • 24Vergezelschap u niet met een grammoedige, en ga niet om met een zeer grimmig man;

  • 1Een droge bete, en rust daarbij, is beter, dan een huis vol van geslachte beesten met twist.

  • 33Want de drukking der melk brengt boter voort, en de drukking van den neus brengt bloed voort, en de drukking des toorns brengt twist voort.

  • Spr 26:17-18
    2 verzen
    73%

    17De voorbijgaande, die zich vertoornt in een twist, die hem niet aangaat, is gelijk die een hond bij de oren grijpt.

    18Gelijk een, die zich veinst te razen, die vuursprankelen, pijlen en dodelijke dingen werpt;

  • 19Die groot is van grimmigheid, zal straf dragen; want zo gij hem uitredt, zo zult gij nog moeten voortvaren.

  • 12Haat verwekt krakelen; maar de liefde dekt alle overtredingen toe.

  • 10Drijf den spotter uit, en het gekijf zal weggaan, en het geschil met de schande zal ophouden.

  • Spr 29:8-9
    2 verzen
    72%

    8Spotdrijvende lieden blazen een stad aan brand; maar de wijzen keren den toorn af.

    9Een wijs man, met een dwaas man in rechten zich begeven hebbende, hetzij dat hij beroerd is of lacht, zo is er toch geen rust.

  • 26Wordt toornig, en zondigt niet; de zon ga niet onder over uw toornigheid;

  • 19Een broeder is wederspanniger dan een sterke stad; en de geschillen zijn als een grendel van een paleis.

  • 10Door hovaardigheid maakt men niet dan gekijf; maar bij de beradenen is wijsheid.

  • 4Grimmigheid en overloping van toorn is wreedheid; maar wie zal voor nijdigheid bestaan?

  • 2Want den dwaze brengt de toornigheid om, en de ijver doodt den slechte.

  • 16De toorn des dwazen wordt ten zelven dage bekend; maar die kloekzinnig is, bedekt de schande.

  • 6De lippen des zots komen in twist, en zijn mond roept naar slagen.

  • 13Een zotte zoon is zijn vader grote ellende; en de kijvingen ener vrouw als een gestadig druipen.

  • 30Twist met een mens niet zonder oorzaak, zo hij u geen kwaad gedaan heeft.

  • 27Wie wetenschap weet, houdt zijn woorden in; en een man van verstand is kostelijk van geest.

  • 8Vaar niet haastelijk voort om te twisten, opdat gij misschien in het laatste daarvan niet wat doet, als uw naaste u zou mogen beschaamd hebben.

  • 34Want jaloersheid is een grimmigheid des mans; en in den dag der wraak zal hij niet verschonen.

  • 15Een overste wordt door lankmoedigheid overreed; en een zachte tong breekt het gebeente.

  • 3De dwaasheid des mensen zal zijn weg verkeren; en zijn hart zal zich tegen den HEERE vergrammen.