Spreuken 27:4
Grimmigheid en overloping van toorn is wreedheid; maar wie zal voor nijdigheid bestaan?
Grimmigheid en overloping van toorn is wreedheid; maar wie zal voor nijdigheid bestaan?
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
2Want den dwaze brengt de toornigheid om, en de ijver doodt den slechte.
34Want jaloersheid is een grimmigheid des mans; en in den dag der wraak zal hij niet verschonen.
3Een steen is zwaar, en het zand gewichtig; maar de toornigheid des dwazen is zwaarder dan die beide.
29De lankmoedige is groot van verstand; maar die haastig is van gemoed, verheft de dwaasheid.
30Een gezond hart is het leven des vleses; maar nijd is verrotting der beenderen.
22Een toornig man verwekt gekijf; en de grammoedige is veelvoudig in overtreding.
17Die haastig is tot toorn, zal dwaasheid doen; en een man van schandelijke verdichtselen zal gehaat worden.
5Of meent gij, dat de Schrift tevergeefs zegt: De Geest, Die in ons woont, heeft Die lust tot nijdigheid?
9Zijt niet haastig in uw geest om te toornen; want de toorn rust in den boezem der dwazen.
3Want ik was nijdig op de dwazen, ziende der goddelozen vrede.
18Een grimmig man zal gekijf verwekken; maar de lankmoedige zal den twist stillen.
31Zijt niet nijdig over een man des gewelds, en verkies geen van zijn wegen.
14Maar indien gij bitteren nijd en twistgierigheid hebt in uw hart, zo roemt en liegt niet tegen de waarheid.
11Wie kent de sterkte Uws toorns, en Uw verbolgenheid, naardat Gij te vrezen zijt?
14Een gift in het verborgene houdt den toorn onder, en een geschenk in den schoot de sterke grimmigheid.
18Opdat het de HEERE niet zie, en het kwaad zij in Zijn ogen en Hij Zijn toorn van hem afkere.
19Ontsteek u niet over de boosdoeners; zijt niet nijdig over de goddelozen.
1Zijt niet nijdig over de boze lieden, en laat u niet gelusten, om bij hen te zijn.
1Een zacht antwoord keert de grimmigheid af; maar een smartend woord doet den toorn oprijzen.
8He. Laat af van toorn, en verlaat de grimmigheid; ontsteek u niet, immers niet, om kwaad te doen.
16Want waar nijd en twistgierigheid is, aldaar is verwarring en alle boze handel.
18Omdat er grimmigheid is, wacht u, dat Hij u misschien niet met een klop wegstote; zodat u een groot rantsoen er niet zou afbrengen.
26Wordt toornig, en zondigt niet; de zon ga niet onder over uw toornigheid;
5Openbare bestraffing is beter dan verborgene liefde.
7Van Uw schelden, o God van Jakob! is samen wagen en paard in slaap gezonken.
24Vergezelschap u niet met een grammoedige, en ga niet om met een zeer grimmig man;
14De grimmigheid des konings is als de boden des doods; maar een wijs man zal die verzoenen.
2Een ijverig God en een wreker is de HEERE, een wreker is de HEERE, en zeer grimmig; een wreker is de HEERE aan Zijn wederpartijders, en Hij behoudt den toorn Zijn vijanden.
2De schrik des konings is als het brullen eens jongen leeuws; die zich tegen hem vergramt, zondigt tegen zijn ziel.
1Een psalm van David. Aleph. Ontsteek u niet over de boosdoeners; benijd hen niet, die onrecht doen.
20Want de toorn des mans werkt Gods gerechtigheid niet.
6Wie zal voor Zijn gramschap staan, en wie zal voor de hittigheid Zijns toorns bestaan? Zijn grimmigheid is uitgestort als vuur, en de rotsstenen worden van Hem vermorzeld.
17Uw hart zij niet nijdig over de zondaren; maar zijt ten allen dage in de vreze des HEEREN.
26Laat ons niet zijn zoekers van ijdele eer, elkander tergende, elkander benijdende.
7Voorwaar, de onderdrukking zou wel een wijze dol maken; en het geschenk verderft het hart.
23De begeerte der rechtvaardigen is alleenlijk het goede; maar de verwachting der goddelozen is verbolgenheid.
17Want de grote dag Zijns toorns is gekomen, en wie kan bestaan?
11Zie toch, zijn kracht is in zijn lenden, en zijn macht in den navel zijns buiks.
5Hoe lang, HEERE? Zult Gij eeuwiglijk toornen? Zal Uw ijver als vuur branden?
4Verder zag ik al den arbeid en alle geschikkelijkheid des werks, dat het den mens nijd van zijn naaste aanbrengt. Dat is ook ijdelheid en kwelling des geestes.
35Het welbehagen des konings is over een verstandigen knecht; maar zijn verbolgenheid zal zijn over dengene, die beschaamd maakt.
24Die een hovaardig pocher is, zijn naam is spotter; hij gaat met hovaardige verbolgenheid te werk.
19Die het gekijf liefheeft, heeft de overtreding lief; die zijn deur verhoogt, zoekt verbreking.
26Wiens haat door bedrog bedekt is, diens boosheid zal in de gemeente geopenbaard worden.
32De lankmoedige is beter dan de sterke; en die heerst over zijn geest, dan die een stad inneemt.
16Een vorst, die van alle verstand gebrek heeft, is ook veelvoudig in verdrukkingen; maar die de gierigheid haat, zal de dagen verlengen.
7Want wij vergaan door Uw toorn; en door Uw grimmigheid worden wij verschrikt.
12Des konings gramschap is als het brullen eens jongen leeuws; maar zijn welgevallen is als dauw op het kruid.
18Gelijk een, die zich veinst te razen, die vuursprankelen, pijlen en dodelijke dingen werpt;
32Tsade. De goddeloze loert op den rechtvaardige, en zoekt hem te doden.