Spreuken 24:1
Zijt niet nijdig over de boze lieden, en laat u niet gelusten, om bij hen te zijn.
Zijt niet nijdig over de boze lieden, en laat u niet gelusten, om bij hen te zijn.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
17Verblijd u niet als uw vijand valt; en als hij nederstruikelt, laat uw hart zich niet verheugen;
18Opdat het de HEERE niet zie, en het kwaad zij in Zijn ogen en Hij Zijn toorn van hem afkere.
19Ontsteek u niet over de boosdoeners; zijt niet nijdig over de goddelozen.
20Want de kwade zal geen beloning hebben, de lamp der goddelozen zal uitgeblust worden.
21Mijn zoon! vrees den HEERE en den koning; vermeng u niet met hen, die naar verandering staan;
29Smeed geen kwaad tegen uw naaste, aangezien hij met vertrouwen bij u woont.
30Twist met een mens niet zonder oorzaak, zo hij u geen kwaad gedaan heeft.
31Zijt niet nijdig over een man des gewelds, en verkies geen van zijn wegen.
1Een psalm van David. Aleph. Ontsteek u niet over de boosdoeners; benijd hen niet, die onrecht doen.
17Uw hart zij niet nijdig over de zondaren; maar zijt ten allen dage in de vreze des HEEREN.
14Kom niet op het pad der goddelozen, en treed niet op den weg der bozen.
15Verwerp dien, ga er niet door; wijk er van, en ga voorbij.
24Vergezelschap u niet met een grammoedige, en ga niet om met een zeer grimmig man;
25Opdat gij zijn paden niet leert, en een strik over uw ziel haalt.
26Wees niet onder degenen, die in de hand klappen, onder degenen, die voor schulden borg zijn.
2Want hun hart bedenkt verwoesting, en hun lippen spreken moeite.
6Eet het brood niet desgenen, die boos is van oog, en wees niet belust op zijn smakelijke spijzen;
15Loer niet, o goddeloze! op de woning des rechtvaardigen; verwoest zijn legerplaats niet.
15Mijn zoon! wandel niet met hen op den weg; weer uw voet van hun pad.
3Trek mij niet weg met de goddelozen, en met de werkers der ongerechtigheid, die van vrede spreken met hun naasten, maar kwaad is in hun hart.
28Wees niet zonder oorzaak getuige tegen uw naaste; want zoudt gij verleiden met uw lip?
29Zeg niet: Gelijk als hij mij gedaan heeft, zo zal ik hem doen; ik zal een ieder vergelden naar zijn werk.
20Haak niet naar dien nacht, als de volken van hun plaats opgenomen worden.
4Neig mijn hart niet tot een kwade zaak, om enigen handel in goddeloosheid te handelen, met mannen, die ongerechtigheid werken; en dat ik niet ete van hun lekkernijen.
1Gij zult geen vals gerucht opnemen; en stelt uw hand niet bij den goddeloze, om een getuige tot geweld te zijn.
2Gij zult de menigte tot boze zaken niet volgen; en gij zult niet spreken in een twistige zaak, dat gij u neigt naar de menigte, om het recht te buigen.
3Want ik was nijdig op de dwazen, ziende der goddelozen vrede.
10Mijn zoon! indien de zondaars u aanlokken, bewillig niet;
26Laat ons niet zijn zoekers van ijdele eer, elkander tergende, elkander benijdende.
7Zo zijt dan hun medegenoten niet.
3Laat u niet gelusten zijner smakelijke spijzen, want het is een leugenachtig brood.
13Mem. Wie is de man, die lust heeft ten leven, die dagen liefheeft, om het goede te zien?
6Gij zult hun vrede en hun best niet zoeken, al uw dagen in eeuwigheid.
8En gaat over weg in gezelschap met de werkers der ongerechtigheid, en wandelt met goddeloze lieden.
8Die denkt om kwaad te doen, dien zal men een meester van schandelijke verdichtselen noemen.
4Des morgens, HEERE, zult Gij mijn stem horen; des morgens zal ik mij tot U schikken, en wacht houden.
8He. Laat af van toorn, en verlaat de grimmigheid; ontsteek u niet, immers niet, om kwaad te doen.
6Praal niet voor het aangezicht des konings, en sta niet in de plaats der groten;
9Raap mijn ziel niet weg met de zondaren, noch mijn leven met de mannen des bloeds;
10De ziel des goddelozen begeert het kwaad; zijn naaste krijgt geen genade in zijn ogen.
1Welgelukzalig is de man, die niet wandelt in de raad der goddelozen, noch staat op den weg der zondaren, noch zit in het gestoelte der spotters;
4Grimmigheid en overloping van toorn is wreedheid; maar wie zal voor nijdigheid bestaan?
25Begeer haar schoonheid niet in uw hart, en laat ze u niet vangen met haar oogleden.
21Wordt van het kwade niet overwonnen, maar overwint het kwade door het goede.
5Het is niet goed, het aangezicht des goddelozen aan te nemen, om den rechtvaardige in het gericht te buigen.
14Maar indien gij bitteren nijd en twistgierigheid hebt in uw hart, zo roemt en liegt niet tegen de waarheid.
25Vrees niet voor haastigen schrik, noch voor de verwoesting der goddelozen, als zij komt.
3Want de goddeloze roemt over den wens zijner ziel; hij zegent den gierigaard, hij lastert den HEERE.
21Den rechtvaardigen zal geen leed wedervaren; maar de goddelozen zullen met kwaad vervuld worden.
19Laat hen zich niet verblijden over mij, die mij om valse oorzaken vijanden zijn; noch wenken met de ogen, die mij zonder oorzaak haten.