Psalmen 26:9
Raap mijn ziel niet weg met de zondaren, noch mijn leven met de mannen des bloeds;
Raap mijn ziel niet weg met de zondaren, noch mijn leven met de mannen des bloeds;
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
19O God! dat Gij den goddeloze ombracht! en gij, mannen des bloeds, wijkt van mij!
3Trek mij niet weg met de goddelozen, en met de werkers der ongerechtigheid, die van vrede spreken met hun naasten, maar kwaad is in hun hart.
2Red mij van mijn vijanden, o mijn God! stel mij in een hoog vertrek voor degenen, die tegen mij opstaan.
3Red mij van de werkers der ongerechtigheid, en verlos mij van de mannen des bloeds.
4Ik zit niet bij ijdele lieden, en met bedekte lieden ga ik niet om.
5Ik haat de vergadering der boosdoeners, en bij de goddelozen zit ik niet.
6Ik was mijn handen in onschuld, en ik ga rondom uw altaar, o HEERE!
10In welker handen schandelijk bedrijf is, en welker rechterhand vol geschenken is.
11Maar ik wandel in mijn oprechtigheid, verlos mij dan en wees mij genadig.
21Zij rotten zich samen tegen de ziel des rechtvaardigen, en zij verdoemen onschuldig bloed.
4Neig mijn hart niet tot een kwade zaak, om enigen handel in goddeloosheid te handelen, met mannen, die ongerechtigheid werken; en dat ik niet ete van hun lekkernijen.
27Want zij vervolgen, dien Gij geslagen hebt; en maken een praat van de smart Uwer verwonden.
28Doe misdaad tot hun misdaad, en laat hen niet komen tot Uw gerechtigheid.
9Bewaar mij voor het geweld des striks, dien zij mij gelegd hebben, en voor de valstrikken van de werkers der ongerechtigheid.
14O God! de hovaardigen staan tegen mij op, en de vergaderingen der tirannen zoeken mijn ziel; en zij stellen U niet voor hun ogen.
4Zij scherpen hun tong, als een slang; heet addervergift is onder hun lippen. Sela.
10Mijn zoon! indien de zondaars u aanlokken, bewillig niet;
11Indien zij zeggen: Ga met ons, laat ons loeren op bloed, ons versteken tegen den onschuldige, zonder oorzaak;
9Voor het aangezicht der goddelozen, die mij verwoesten, mijner doodsvijanden, die mij omringen.
23Doch Gij, HEERE! weet al hun raad tegen mij ten dode; maak geen verzoening over hun ongerechtigheid, en delg hun zonde niet uit van voor Uw aangezicht; maar laat hen nedergeveld worden voor Uw aangezicht; handel alzo met hen, ten tijde Uws toorns.
17Daar toch geen wrevel in mijn handen is, en mijn gebed zuiver is.
18O, aarde! bedek mijn bloed niet; en voor mijn geroep zij geen plaats.
8HEERE! ik heb lief de woning van Uw huis, en de plaats des tabernakels Uwer eer.
15Mijn zoon! wandel niet met hen op den weg; weer uw voet van hun pad.
14Geef mij weder de vreugde Uws heils; en de vrijmoedige geest ondersteune mij.
1Zijt niet nijdig over de boze lieden, en laat u niet gelusten, om bij hen te zijn.
12Geef mij niet over in de begeerte mijner tegenpartijders; want valse getuigen zijn tegen mij opgestaan, mitsgaders die wrevel uitblaast.
13Wie zou de afdwalingen verstaan? Reinig mij van de verborgene afdwalingen.
11Verberg Uw aangezicht van mijn zonden, en delg uit al mijn ongerechtigheden.
7Zijt verre van valse zaken; en den onschuldige en gerechtige zult gij niet doden; want Ik zal de goddeloze niet rechtvaardigen.
30(Ook heb ik mijn gehemelte niet toegelaten te zondigen, mits door een vloek zijn ziel te begeren).
6De onzinnigen zullen voor Uw ogen niet bestaan; Gij haat alle werkers der ongerechtigheid.
11Strek Uw goedertierenheid uit over degenen, die U kennen, en Uw gerechtigheid over de oprechten van hart.
18En verberg Uw aangezicht niet van Uw knecht, want mij is bange; haast U, verhoor mij.
9Mijn ziel kleeft U achteraan; Uw rechterhand ondersteunt mij.
35De zondaars zullen van de aarde verdaan worden, en de goddelozen zullen niet meer zijn. Loof den HEERE, mijn ziel! Hallelujah!
2En ga niet in het gericht met Uw knecht; want niemand, die leeft, zal voor Uw aangezicht rechtvaardig zijn.
9Ontzondig mij met hysop, en ik zal rein zijn; was mij, en ik zal witter zijn dan sneeuw.
10Want Gij zult mijn ziel in de hel niet verlaten; Gij zult niet toelaten, dat Uw Heilige de verderving zie.
6Mijn ziel heeft lang gewoond bij degenen, die den vrede haten.
5Daarom zullen de goddelozen niet bestaan in het gericht, noch de zondaars in de vergadering der rechtvaardigen.
11De God mijner goedertierenheid zal mij voorkomen; God zal mij op mijn verspieders doen zien.
2Hoor, o God! mijn stem in mijn geklag; behoed mijn leven voor des vijands schrik.
4Des morgens, HEERE, zult Gij mijn stem horen; des morgens zal ik mij tot U schikken, en wacht houden.
15Wij, die te zamen in zoetigheid heimelijk raadpleegden; wij wandelden in gezelschap ten huize Gods.
10Bloedgierige lieden haten den vrome; maar de oprechten zoeken zijn ziel.
6Mijn ziel kome niet in hun verborgen raad; mijn eer worde niet verenigd met hun vergadering! want in hun toorn hebben zij de mannen doodgeslagen, en in hun moedwil hebben zij de ossen weggerukt.
26Wees niet onder degenen, die in de hand klappen, onder degenen, die voor schulden borg zijn.
11O HEERE! maak mij levend, om Uws Naams wil; voer mijn ziel uit de benauwdheid, om Uw gerechtigheid.
13Sta op, HEERE, kom zijn aangezicht voor, vel hem neder; bevrijd mijn ziel met Uw zwaard van den goddeloze;