Psalmen 140:4
Zij scherpen hun tong, als een slang; heet addervergift is onder hun lippen. Sela.
Zij scherpen hun tong, als een slang; heet addervergift is onder hun lippen. Sela.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester.
9Bewaar mij voor het geweld des striks, dien zij mij gelegd hebben, en voor de valstrikken van de werkers der ongerechtigheid.
10Dat de goddelozen elk in zijn garen vallen, te zamen, totdat ik zal zijn voorbijgegaan.
4Mijn God, bevrijd mij van de hand des goddelozen, van de hand desgenen, die verkeerdelijk handelt, en des opgeblazenen.
5Bewaar mij, HEERE! van de handen des goddelozen; behoed mij van den man alles gewelds; van hen, die mijn voeten denken weg te stoten.
2Hoor, o God! mijn stem in mijn geklag; behoed mijn leven voor des vijands schrik.
4Aangaande de handelingen des mensen, ik heb mij, naar het woord Uwer lippen, gewacht voor de paden des inbrekers;
5Houdende mijn gangen in Uw sporen, opdat mijn voetstappen niet zouden wankelen.
8Bewaar mij als het zwart des oogappels, verberg mij onder de schaduw Uwer vleugelen,
9Voor het aangezicht der goddelozen, die mij verwoesten, mijner doodsvijanden, die mij omringen.
1Een gouden kleinood van David, voor den opperzangmeester, Altascheth; toen Saul gezonden had, die zijn huis bewaren zouden, om hem te doden.
2Red mij van mijn vijanden, o mijn God! stel mij in een hoog vertrek voor degenen, die tegen mij opstaan.
3Red mij van de werkers der ongerechtigheid, en verlos mij van de mannen des bloeds.
11Strek Uw goedertierenheid uit over degenen, die U kennen, en Uw gerechtigheid over de oprechten van hart.
8HEERE, Heere, Sterkte mijns heils! Gij hebt mijn hoofd bedekt ten dage der wapening.
9Geef, HEERE! de begeerten des goddelozen niet; bevorder zijn kwaad voornemen niet; zij zouden zich verheffen. Sela.
1Een gouden kleinood van David. Bewaar mij, o God! want ik betrouw op U.
3Trek mij niet weg met de goddelozen, en met de werkers der ongerechtigheid, die van vrede spreken met hun naasten, maar kwaad is in hun hart.
11God heeft mij den verkeerde overgegeven, en heeft mij afgewend in de handen der goddelozen.
14O God! de hovaardigen staan tegen mij op, en de vergaderingen der tirannen zoeken mijn ziel; en zij stellen U niet voor hun ogen.
11Ontzet mij en red mij van de hand der vreemden, welker mond leugen spreekt, en hun rechterhand is een rechterhand der valsheid;
15Maar ik vertrouw op U, o HEERE! Ik zeg: Gij zijt mijn God.
134Verlos mij van des mensen overlast, en ik zal Uw bevelen onderhouden.
13Sta op, HEERE, kom zijn aangezicht voor, vel hem neder; bevrijd mijn ziel met Uw zwaard van den goddeloze;
32Tsade. De goddeloze loert op den rechtvaardige, en zoekt hem te doden.
12Om u te redden van den kwaden weg, van den man, die verkeerdheden spreekt;
110De goddelozen hebben mij een strik gelegd; nochtans ben ik niet afgedwaald van Uw bevelen.
3HEERE! zet een wacht voor mijn mond, behoed de deur mijner lippen.
4Neig mijn hart niet tot een kwade zaak, om enigen handel in goddeloosheid te handelen, met mannen, die ongerechtigheid werken; en dat ik niet ete van hun lekkernijen.
49En Die mij uitvoert van mijn vijanden; en Gij verhoogt mij boven degenen, die tegen mij opstaan; Gij redt mij van den man alles gewelds.
13Wie zou de afdwalingen verstaan? Reinig mij van de verborgene afdwalingen.
19O God! dat Gij den goddeloze ombracht! en gij, mannen des bloeds, wijkt van mij!
11Vurige kolen moeten op hen geschud worden; Hij doe hen vallen in het vuur, in diepe kuilen, dat zij niet weder opstaan.
4Verlost den arme en den behoeftige, rukt hem uit der goddelozen hand.
7De HEERE zal u bewaren van alle kwaad; uw ziel zal Hij bewaren.
4Aanschouw, verhoor mij, HEERE, mijn God; verlicht mijn ogen, opdat ik in de dood niet ontslape;
4Want Gij zijt mijn Steenrots en mijn Burg; leid mij dan, en voer mij, om Uws Naams wil.
48De God, Die mij volkomen wraak geeft, en de volken onder mij brengt;
11Uw gerechtigheid bedek ik niet in het midden mijns harten; Uw waarheid en Uw heil spreek ik uit; Uw weldadigheid en Uw trouw verheel ik niet in de grote gemeente.
9Red mij, HEERE! van mijn vijanden; bij U schuil ik.
16Wie zal voor mij staan tegen de boosdoeners? Wie zal zich voor mij stellen tegen de werkers der ongerechtigheid?
115Wijkt van mij, gij boosdoeners! dat ik de geboden mijns Gods moge bewaren.
1Davids Schiggajon, dat hij den HEERE gezongen heeft, over de woorden van Cusch, den zoon van Jemini.
19Zij hadden mij bejegend ten dage mijns ongevals; maar de HEERE was mij een Steunsel.
2O HEERE! red mijn ziel van de valse lippen, van de bedriegelijke tong.
12Geef mij niet over in de begeerte mijner tegenpartijders; want valse getuigen zijn tegen mij opgestaan, mitsgaders die wrevel uitblaast.
7De redenen des HEEREN zijn reine redenen, zilver, gelouterd in een aarden smeltkroes, gezuiverd zevenmaal.
18Hij verloste mij van mijn sterken vijand, en van mijn haters, omdat zij machtiger waren dan ik.
3O God! verlos mij door Uw Naam, en doe mij recht door Uw macht.
16Mijn kracht is verdroogd als een potscherf, en mijn tong kleeft aan mijn gehemelte; en Gij legt mij in het stof des doods.