Spreuken 21:14
Een gift in het verborgene houdt den toorn onder, en een geschenk in den schoot de sterke grimmigheid.
Een gift in het verborgene houdt den toorn onder, en een geschenk in den schoot de sterke grimmigheid.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
23De goddeloze zal het geschenk uit den schoot nemen, om de paden des rechts te buigen.
1Een zacht antwoord keert de grimmigheid af; maar een smartend woord doet den toorn oprijzen.
18Een grimmig man zal gekijf verwekken; maar de lankmoedige zal den twist stillen.
14De grimmigheid des konings is als de boden des doods; maar een wijs man zal die verzoenen.
7Voorwaar, de onderdrukking zou wel een wijze dol maken; en het geschenk verderft het hart.
8Het geschenk is in de ogen zijner heren een aangenaam gesteente; waarhenen het zich zal wenden, zal het wel gedijen.
9Die de overtreding toedekt, zoekt liefde; maar die de zaak weder ophaalt, scheidt den voornaamsten vriend.
22Een toornig man verwekt gekijf; en de grammoedige is veelvoudig in overtreding.
13Die zijn oor stopt voor het geschrei des armen, die zal ook roepen, en niet verhoord worden.
17Die haastig is tot toorn, zal dwaasheid doen; en een man van schandelijke verdichtselen zal gehaat worden.
29De lankmoedige is groot van verstand; maar die haastig is van gemoed, verheft de dwaasheid.
30Een gezond hart is het leven des vleses; maar nijd is verrotting der beenderen.
27Die gierigheid pleegt, beroert zijn huis; maar die geschenken haat, zal leven.
4Grimmigheid en overloping van toorn is wreedheid; maar wie zal voor nijdigheid bestaan?
5Openbare bestraffing is beter dan verborgene liefde.
19Die groot is van grimmigheid, zal straf dragen; want zo gij hem uitredt, zo zult gij nog moeten voortvaren.
9Zijt niet haastig in uw geest om te toornen; want de toorn rust in den boezem der dwazen.
14Een ieder wordt van de vrucht des monds met goed verzadigd; en de vergelding van des mensen handen zal hij tot zich wederbrengen.
16De toorn des dwazen wordt ten zelven dage bekend; maar die kloekzinnig is, bedekt de schande.
4Opdat uw aalmoes in het verborgen zij; en uw Vader, Die in het verborgen ziet, Die zal het u in het openbaar vergelden.
15Het is den rechtvaardige een blijdschap recht te doen; maar voor de werkers der ongerechtigheid is het verschrikking.
18Opdat het de HEERE niet zie, en het kwaad zij in Zijn ogen en Hij Zijn toorn van hem afkere.
22Want gij zult vurige kolen op zijn hoofd hopen, en de HEERE zal het u vergelden.
23De noordenwind verdrijft den regen, en een vergramd aangezicht de verborgen tong.
8He. Laat af van toorn, en verlaat de grimmigheid; ontsteek u niet, immers niet, om kwaad te doen.
16De gift des mensen maakt hem ruimte, en zij geleidt hem voor het aangezicht der groten.
18Omdat er grimmigheid is, wacht u, dat Hij u misschien niet met een klop wegstote; zodat u een groot rantsoen er niet zou afbrengen.
11Een zot laat zijn gansen geest uit, maar de wijze wederhoudt dien achterwaarts.
11Het verstand des mensen vertrekt zijn toorn; en zijn sieraad is de overtreding voorbij te gaan.
27Die den armen geeft, zal geen gebrek hebben; maar die zijn ogen verbergt, zal veel vervloekt worden.
34Want jaloersheid is een grimmigheid des mans; en in den dag der wraak zal hij niet verschonen.
21Als een erfenis in het eerste verhaast wordt, zo zal haar laatste niet gezegend worden.
24Vergezelschap u niet met een grammoedige, en ga niet om met een zeer grimmig man;
1Een droge bete, en rust daarbij, is beter, dan een huis vol van geslachte beesten met twist.
12Haat verwekt krakelen; maar de liefde dekt alle overtredingen toe.
13In de lippen des verstandigen wordt wijsheid gevonden; maar op den rug des verstandelozen de roede.
28Een verkeerd man zal krakeel inwerpen; en een oorblazer scheidt den voornaamsten vriend.
14Een man, die zichzelven beroemt over een valse gift, is als wolken en wind, waar geen regen bij is.
15Een overste wordt door lankmoedigheid overreed; en een zachte tong breekt het gebeente.
16Die den arme verdrukt, om het zijne te vermeerderen, en den rijke geeft, komt zekerlijk tot gebrek.
35Het welbehagen des konings is over een verstandigen knecht; maar zijn verbolgenheid zal zijn over dengene, die beschaamd maakt.
33Want de drukking der melk brengt boter voort, en de drukking van den neus brengt bloed voort, en de drukking des toorns brengt twist voort.
16Elkeen, die haar verbergt, zou den wind verbergen, en de olie zijner rechterhand, die roept.
13Die kwaad voor goed vergeldt, het kwaad zal van zijn huis niet wijken.
14Het begin des krakeels is gelijk een, die het water opening geeft; daarom verlaat den twist, eer hij zich vermengt.
6Zegeningen zijn op het hoofd des rechtvaardigen; maar het geweld bedekt den mond der goddelozen.
23Die een mens bestraft, zal achterna gunst vinden, meer dan die met de tong vleit.
26Den gansen dag begeert hij begeerlijke dingen; maar de rechtvaardige zal geven, en niet inhouden.
19Zo dan, mijn geliefde broeders, een iegelijk mens zij ras om te horen, traag om te spreken, traag tot toorn;
6In het huis des rechtvaardigen is een grote schat; maar in des goddelozen inkomst is beroerte.