Spreuken 19:11
Het verstand des mensen vertrekt zijn toorn; en zijn sieraad is de overtreding voorbij te gaan.
Het verstand des mensen vertrekt zijn toorn; en zijn sieraad is de overtreding voorbij te gaan.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
29De lankmoedige is groot van verstand; maar die haastig is van gemoed, verheft de dwaasheid.
12Des konings gramschap is als het brullen eens jongen leeuws; maar zijn welgevallen is als dauw op het kruid.
22Een toornig man verwekt gekijf; en de grammoedige is veelvoudig in overtreding.
23De hoogmoed des mensen zal hem vernederen; maar de nederige van geest zal de eer vasthouden.
31De grijsheid is een sierlijke kroon; zij wordt op den weg der gerechtigheid gevonden.
32De lankmoedige is beter dan de sterke; en die heerst over zijn geest, dan die een stad inneemt.
10De weelde staat een zot niet wel; hoeveel te min een knecht te heersen over vorsten!
16De wijze vreest, en wijkt van het kwade; maar de zot is oplopende toornig, en zorgeloos.
17Die haastig is tot toorn, zal dwaasheid doen; en een man van schandelijke verdichtselen zal gehaat worden.
16De toorn des dwazen wordt ten zelven dage bekend; maar die kloekzinnig is, bedekt de schande.
18Een grimmig man zal gekijf verwekken; maar de lankmoedige zal den twist stillen.
2De schrik des konings is als het brullen eens jongen leeuws; die zich tegen hem vergramt, zondigt tegen zijn ziel.
3Het is eer voor een man, van twist af te blijven; maar ieder dwaas zal er zich in mengen.
11Een zot laat zijn gansen geest uit, maar de wijze wederhoudt dien achterwaarts.
4Als de geest des heersers tegen u oprijst, verlaat uw plaats niet; want het is medicijn, het stilt grote zonden.
9Zijt niet haastig in uw geest om te toornen; want de toorn rust in den boezem der dwazen.
27Wie wetenschap weet, houdt zijn woorden in; en een man van verstand is kostelijk van geest.
28Een dwaas zelfs, die zwijgt, zal wijs geacht worden, en die zijn lippen toesluit, verstandig.
1Een zacht antwoord keert de grimmigheid af; maar een smartend woord doet den toorn oprijzen.
18Opdat het de HEERE niet zie, en het kwaad zij in Zijn ogen en Hij Zijn toorn van hem afkere.
19Die groot is van grimmigheid, zal straf dragen; want zo gij hem uitredt, zo zult gij nog moeten voortvaren.
14De grimmigheid des konings is als de boden des doods; maar een wijs man zal die verzoenen.
35Het welbehagen des konings is over een verstandigen knecht; maar zijn verbolgenheid zal zijn over dengene, die beschaamd maakt.
12Die verstandeloos is, veracht zijn naaste; maar een man van groot verstand zwijgt stil.
3De dwaasheid des mensen zal zijn weg verkeren; en zijn hart zal zich tegen den HEERE vergrammen.
20Hebt gij een man gezien, die haastig in zijn woorden is? Van een zot is meer verwachting dan van hem.
12De kloekzinnige ziet het kwaad, en verbergt zich; de slechten gaan henen door, en worden gestraft.
9Die de overtreding toedekt, zoekt liefde; maar die de zaak weder ophaalt, scheidt den voornaamsten vriend.
10De bestraffing gaat dieper in den verstandige, dan den zot honderd maal te slaan.
15Een overste wordt door lankmoedigheid overreed; en een zachte tong breekt het gebeente.
14Een gift in het verborgene houdt den toorn onder, en een geschenk in den schoot de sterke grimmigheid.
27Veel honigs te eten is niet goed; maar de onderzoeking van de heerlijkheid van zulke dingen is eer.
12Voor de verbreking zal des mensen hart zich verheffen; en de nederigheid gaat voor de eer.
13Die antwoord geeft, eer hij zal gehoord hebben, dat is hem dwaasheid en schande.
19Zo dan, mijn geliefde broeders, een iegelijk mens zij ras om te horen, traag om te spreken, traag tot toorn;
20Want de toorn des mans werkt Gods gerechtigheid niet.
2Om de overtreding des lands zijn deszelfs vorsten vele; maar om verstandige en wetende mensen zal insgelijks verlenging wezen.
8He. Laat af van toorn, en verlaat de grimmigheid; ontsteek u niet, immers niet, om kwaad te doen.
17Opdat Hij den mens afwende van zijn werk, en van den man de hovaardij verberge;
10Als God opstond ten oordeel, om alle zachtmoedigen der aarde te verlossen. Sela.
11Dan zal hij den geest veranderen, en hij zal doortrekken, en zich schuldig maken, houdende deze zijn kracht voor zijn God.
5Teth. Wel dien man, die zich ontfermt en uitleent; Jod. hij beschikt zijn zaken met recht.
2Het is Gods eer een zaak te verbergen; maar de eer der koningen een zaak te doorgronden.
15Goed verstand geeft aangenaamheid; maar de weg der trouwelozen is streng.
16Al wie kloekzinnig is, handelt met wetenschap; maar een zot breidt dwaasheid uit.
8Spotdrijvende lieden blazen een stad aan brand; maar de wijzen keren den toorn af.
23Een kloekzinnig mens bedekt de wetenschap; maar het hart der zotten roept dwaasheid uit.
29Der jongelingen sieraad is hun kracht, en der ouden heerlijkheid is de grijsheid.
11Zo zal de bedachtzaamheid over u de wacht houden, de verstandigheid zal u behoeden;
3Een kloekzinnig mens ziet het kwaad, en verbergt zich; maar de slechten gaan henen door, en worden gestraft.