Spreuken 25:27
Veel honigs te eten is niet goed; maar de onderzoeking van de heerlijkheid van zulke dingen is eer.
Veel honigs te eten is niet goed; maar de onderzoeking van de heerlijkheid van zulke dingen is eer.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
16Hebt gij honig gevonden, eet dat u genoeg is; opdat gij misschien daarvan niet zat wordt, en dien uitspuwt.
17Spaar uw voet van het huis uws naasten, opdat hij niet zat van u worde, en u hate.
1Beroem u niet over den dag van morgen; want gij weet niet, wat de dag zal baren.
2Laat u een vreemde prijzen, en niet uw mond; een onbekende, en niet uw lippen.
13Eet honig, mijn zoon! want hij is goed, en honigzeem is zoet voor uw gehemelte.
23Zo zegt de HEERE: Een wijze beroeme zich niet in zijn wijsheid, en de sterke beroeme zich niet in zijn sterkheid; een rijke beroeme zich niet in zijn rijkdom;
2Het is Gods eer een zaak te verbergen; maar de eer der koningen een zaak te doorgronden.
28Een man, die zijn geest niet wederhouden kan, is een opengebrokene stad zonder muur.
7Een verzadigde ziel vertreedt het honigzeem; maar aan een hongerige ziel is alle bitter zoet.
23De hoogmoed des mensen zal hem vernederen; maar de nederige van geest zal de eer vasthouden.
17Doch wie roemt, die roeme in den Heere.
16Wees niet al te rechtvaardig, noch houd uzelven al te wijs; waarom zoudt gij verwoesting over u brengen?
10De weelde staat een zot niet wel; hoeveel te min een knecht te heersen over vorsten!
11Het verstand des mensen vertrekt zijn toorn; en zijn sieraad is de overtreding voorbij te gaan.
6Praal niet voor het aangezicht des konings, en sta niet in de plaats der groten;
26De rechtvaardige, wankelende voor het aangezicht des goddelozen, is een beroerde fontein, en verdorven springader.
6Uw roem is niet goed. Weet gij niet, dat een weinig zuurdesem het gehele deeg zuur maakt?
2De overtreding des goddelozen spreekt in het binnenste van mijn hart: Er is geen vreze Gods voor zijn ogen.
14Het is kwaad, het is kwaad! zal de koper zeggen; maar als hij weggegaan is, dan zal hij zich beroemen.
29Opdat geen vlees zou roemen voor Hem.
12Voor de verbreking zal des mensen hart zich verheffen; en de nederigheid gaat voor de eer.
3Laat u niet gelusten zijner smakelijke spijzen, want het is een leugenachtig brood.
4Vermoei u niet om rijk te worden; sta af van uw vernuft.
4Maar een iegelijk beproeve zijn eigen werk; en alsdan zal hij aan zichzelven alleen roem hebben, en niet aan een anderen.
3Het is eer voor een man, van twist af te blijven; maar ieder dwaas zal er zich in mengen.
10Waar het goed vermenigvuldigt, daar vermenigvuldigen ook die het eten; wat nuttigheid hebben dan de bezitters daarvan, dan het gezicht hunner ogen?
24Niemand zoeke dat zijns zelfs is; maar een iegelijk zoeke dat des anderen is.
8Vaar niet haastelijk voort om te twisten, opdat gij misschien in het laatste daarvan niet wat doet, als uw naaste u zou mogen beschaamd hebben.
27Wie het goede vroeg nazoekt, zoekt welgevalligheid; maar wie het kwade natracht, dien zal het overkomen.
27Een bedrieger zal zijn jachtvang niet braden; maar het kostelijk goed des mensen is des vlijtigen.
11Een rijk man is wijs in zijn ogen; maar de arme, die verstandig is, doorzoekt hem.
12Als de rechtvaardigen opspringen van vreugde, is er grote heerlijkheid; maar als de goddelozen opkomen, wordt de mens nauw gezocht.
26Laat ons niet zijn zoekers van ijdele eer, elkander tergende, elkander benijdende.
18Hovaardigheid is voor de verbreking, en hoogheid des geestes voor den val.
19Het is beter nederig van geest te zijn met de zachtmoedigen, dan roof te delen met de hovaardigen.
26De ziel des arbeidzamen arbeidt voor zichzelven; want zijn mond buigt zich voor hem.
7Al de arbeid des mensen is voor zijn mond; en nochtans wordt de begeerlijkheid niet vervuld.
17Vrees niet, wanneer een man rijk wordt, wanneer de eer van zijn huis groot wordt;
5En ook dewijl hij trouwelooslijk handelt bij den wijn, een trots man is, en in zijn woning niet blijft; die zijn ziel wijd opendoet als het graf, en gelijk de dood is, die niet zat wordt, en tot zich verzamelt al de heidenen, en vergadert tot zich alle volken.
18Die van zichzelven spreekt, zoekt zijn eigen eer; maar Die de eer zoekt Desgenen, Die Hem gezonden heeft, Die is waarachtig, en geen ongerechtigheid is in Hem.
7Een voortreffelijke lip past een dwaze niet, veelmin een prins een leugenachtige lip.
25Het is een strik des mensen, dat hij het heilige verslindt, en na gedane geloften, onderzoek te doen.
12Hebt gij een man gezien, die wijs in zijn ogen is! Van een zot is meer verwachting dan van hem.
2Ook is de ziel zonder wetenschap niet goed; en die met de voeten haastig is, zondigt.
5Een man, die zijn naaste vleit, spreidt een net uit voor deszelfs gangen.
10Want ook het verheerlijkte is zelfs niet verheerlijkt in dezen dele, ten aanzien van deze uitnemende heerlijkheid.
35De wijzen zullen eer beerven; maar elkeen der zotten neemt schande op zich.
21De aangezichten te kennen, is niet goed; want een man zal om een stuk broods overtreden.
2Een man, denwelken God gegeven heeft rijkdom, en goederen, en eer; en hij heeft voor zijn ziel aan geen ding gebrek, van alles wat hij begeert; en God geeft hem de macht niet, om daarvan te eten, maar dat een vreemd man dat opeet. Dit is ook ijdelheid en een kwade smart.
5Het is niet goed, het aangezicht des goddelozen aan te nemen, om den rechtvaardige in het gericht te buigen.