Spreuken 18:12

Statenvertaling (States Bible)

Voor de verbreking zal des mensen hart zich verheffen; en de nederigheid gaat voor de eer.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Spr 15:33 : 33 De vreze des HEEREN is de tucht der wijsheid; en de nederigheid gaat voor de eer.
  • Spr 11:2 : 2 Als de hovaardigheid komt, zal de schande ook komen; maar met de ootmoedigen is wijsheid.
  • Spr 16:18 : 18 Hovaardigheid is voor de verbreking, en hoogheid des geestes voor den val.
  • Spr 29:23 : 23 De hoogmoed des mensen zal hem vernederen; maar de nederige van geest zal de eer vasthouden.
  • Ezech 28:2 : 2 Mensenkind! zeg tot den vorst van Tyrus: Zo zegt de Heere HEERE: Omdat uw hart zich verheft en zegt: Ik ben God, ik zit in Godes stoel, in het hart der zeeen! daar gij een mens en geen God zijt, stelt gij nochtans uw hart, als Gods hart.
  • Ezech 28:9 : 9 Zult gij dan enigszins, voor het aangezicht uws doodslagers, zeggen: Ik ben God? daar gij een mens zijt en geen God, in de hand desgenen, die u verslaat?
  • Dan 5:23-24 : 23 Maar gij hebt u verheven tegen den Heere des hemels, en men heeft de vaten van Zijn huis voor u gebracht, en gij, en uw geweldigen, uw vrouwen, en uw bijwijven hebben wijn uit dezelve gedronken, en de goden van zilver en goud, koper, ijzer, hout en steen, die niet zien, noch horen, noch weten, hebt gij geprezen; maar dien God, in Wiens hand uw adem is, en bij Wien al uw paden zijn, hebt gij niet verheerlijkt. 24 Toen is dat deel der hand van Hem gezonden, en dit schrift getekend geworden.
  • Dan 9:20 : 20 Als ik nog sprak, en bad, en beleed mijn zonde, en de zonde mijns volks van Israel, en mijn smeking nederwierp voor het aangezicht des HEEREN, mijns Gods, om des heiligen bergs wil mijns Gods;
  • Dan 9:23 : 23 In het begin uwer smekingen is het woord uitgegaan, en ik ben gekomen, om u dat te kennen te geven; want gij zijt een zeer gewenst man; versta dan dit woord, en merk op dit gezicht.
  • Luk 14:11 : 11 Want een iegelijk, die zichzelven verhoogt, zal vernederd worden; en die zichzelven vernedert, zal verhoogd worden.
  • Hand 12:21-23 : 21 En op een gezetten dag, Herodes, een koninklijk kleed aangedaan hebbende, en op den rechterstoel gezeten zijnde, deed een rede tot hen. 22 En het volk riep hem toe: Een stem Gods, en niet eens mensen! 23 En van stonde aan sloeg hem een engel des Heeren, daarom dat hij Gode de eer niet gaf; en hij werd van de wormen gegeten, en gaf den geest.
  • 1 Petr 5:5 : 5 Desgelijks gij jongen, zijt den ouden onderdanig; en zijt allen elkander onderdanig; zijt met de ootmoedigheid bekleed; want God wederstaat de hovaardigen, maar de nederigen geeft Hij genade.
  • Jes 6:5-9 : 5 Toen zeide ik: Wee mij, want ik verga! dewijl ik een man van onreine lippen ben, en ik woon in het midden eens volks, dat onrein van lippen is; want mijn ogen hebben den Koning, den HEERE der heirscharen gezien. 6 Maar een van de serafs vloog tot mij, en had een gloeiende kool in zijn hand, die hij met de tang van het altaar genomen had. 7 En hij roerde mijn mond daarmede aan, en zeide: Zie, deze heeft uw lippen aangeroerd; alzo is uw misdaad van u geweken, en uw zonde is verzoend. 8 Daarna hoorde ik de stem des Heeren, dewelke zeide: Wien zal Ik zenden, en wie zal voor Ons henengaan? Toen zeide ik: Zie, hier ben ik, zend mij henen. 9 Toen zeide Hij: Ga henen, en zeg tot dit volk: Horende hoort, maar verstaat niet, en ziende ziet, maar merkt niet. 10 Maak het hart dezes volks vet, en maak hun oren zwaar, en sluit hun ogen, opdat het niet zie met zijn ogen, noch met zijn oren hore, noch met zijn hart versta, noch zich bekere, en Hij het geneze. 11 Toen zeide ik: Hoe lang, Heere? En Hij zeide: Totdat de steden verwoest worden, zodat er geen inwoner zij, en de huizen, dat er geen mens zij, en dat het land met verwoesting verstrooid worde. 12 Want de HEERE zal die mensen verre wegdoen, en de verlating zal groot wezen in het binnenste des lands. 13 Doch nog een tiende deel zal daarin zijn, en het zal wederkeren, en zijn om af te weiden; maar gelijk de eik, en gelijk de haageik, in dewelke na de afwerping der bladeren nog steunsel is, alzo zal het heilige zaad het steunsel daarvan zijn.
  • Ezech 16:49-50 : 49 Ziet, dit was de ongerechtigheid uwer zuster Sodom; hoogmoed, zatheid van brood en stille gerustheid had zij en haar dochteren; maar zij sterkte de hand des armen en nooddruftigen niet. 50 En zij verhieven zich, en deden gruwelijkheid voor Mijn aangezicht; daarom deed Ik ze weg, nadat Ik het gezien had.
  • Job 42:6-9 : 6 Daarom verfoei ik mij, en ik heb berouw in stof en as. 7 Het geschiedde nu, nadat de HEERE die woorden tot Job gesproken had, dat de HEERE tot Elifaz, den Themaniet, zeide: Mijn toorn is ontstoken tegen u, en tegen uw twee vrienden, want gijlieden hebt niet recht van Mij gesproken, gelijk Mijn knecht Job. 8 Daarom neemt nu voor ulieden zeven varren en zeven rammen, en gaat henen tot Mijn knecht Job, en offert brandoffer voor ulieden, en laat Mijn knecht Job voor ulieden bidden; want zekerlijk, Ik zal zijn aangezicht aannemen, opdat Ik aan ulieden niet doe naar uw dwaasheid; want gijlieden hebt niet recht van Mij gesproken, gelijk Mijn knecht Job. 9 Toen gingen Elifaz, de Themaniet, en Bildad, de Suhiet, en Zofar, de Naamathiet, henen, en deden, gelijk als de HEERE tot hen gesproken had; en de HEERE nam het aangezicht van Job aan. 10 En de HEERE wendde de gevangenis van Job, toen hij gebeden had voor zijn vrienden; en de HEERE vermeerderde al hetgeen Job gehad had tot dubbel zoveel. 11 Ook kwamen tot hem al zijn broeders, en al zijn zusters, en allen, die hem te voren gekend hadden, en aten brood met hem in zijn huis, en beklaagden hem, en vertroostten hem over al het kwaad, dat de HEERE over hem gebracht had; en zij gaven hem een iegelijk een stuk gelds, een iegelijk ook een gouden voorhoofdsiersel. 12 En de HEERE zegende Jobs laatste meer dan zijn eerste; want hij had veertien duizend schapen, en zes duizend kemelen, en duizend juk runderen, en duizend ezelinnen. 13 Daartoe had hij zeven zonen en drie dochteren. 14 En hij noemde den naam der eerste Jemima, en den naam der tweede Kezia, en den naam der derde Keren-Happuch. 15 En er werden zo schone vrouwen niet gevonden in het ganse land, als de dochteren van Job; en haar vader gaf haar erfdeel onder haar broederen. 16 En Job leefde na dezen honderd en veertig jaren, dat hij zag zijn kinderen, en de kinderen zijner kinderen, tot in vier geslachten. 17 En Job stierf, oud en der dagen zat.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Spr 16:18-19
    2 verzen
    86%

    18Hovaardigheid is voor de verbreking, en hoogheid des geestes voor den val.

    19Het is beter nederig van geest te zijn met de zachtmoedigen, dan roof te delen met de hovaardigen.

  • 23De hoogmoed des mensen zal hem vernederen; maar de nederige van geest zal de eer vasthouden.

  • 33De vreze des HEEREN is de tucht der wijsheid; en de nederigheid gaat voor de eer.

  • 2Als de hovaardigheid komt, zal de schande ook komen; maar met de ootmoedigen is wijsheid.

  • 13Die antwoord geeft, eer hij zal gehoord hebben, dat is hem dwaasheid en schande.

  • 11Des rijken goed is de stad zijner sterkte, en als een verheven muur in zijn inbeelding.

  • 15Dan zal de gemene man nedergebogen worden, en de aanzienlijke man zal vernederd worden, en de ogen der hovaardigen zullen vernederd worden.

  • 4Het loon der nederigheid, met de vreze des HEEREN, is rijkdom, en eer, en leven.

  • 12En wie zichzelven verhogen zal, die zal vernederd worden; en wie zichzelven zal vernederen, die zal verhoogd worden.

  • Jes 2:10-12
    3 verzen
    75%

    10Ga in den rotssteen, en verberg u in het stof, vanwege den schrik des HEEREN, en om de heerlijkheid Zijner majesteit.

    11De hoge ogen de mensen zullen vernederd worden, en de hoogheid der mannen zal nedergebogen worden; en de HEERE alleen zal in dien dag verheven zijn.

    12Want de dag des HEEREN der heirscharen zal zijn tegen allen hovaardige en hoge, en tegen allen verhevene, opdat hij vernederd worde;

  • Spr 12:8-9
    2 verzen
    74%

    8Een ieder zal geprezen worden, naardat zijn verstandigheid is; maar die verkeerd van hart is, zal tot verachting wezen.

    9Beter is, die zich gering acht, en een knecht heeft, dan die zichzelven eert, en des broods gebrek heeft.

  • 10Door hovaardigheid maakt men niet dan gekijf; maar bij de beradenen is wijsheid.

  • 18Armoede en schande is desgenen, die de tucht verwerpt; maar die de bestraffing waarneemt; zal geeerd worden.

  • 17En de hoogheid der mensen zal gebogen, en de hoogheid der mannen zal vernederd worden; en de HEERE alleen zal in die dag verheven zijn.

  • 3De dwaasheid des mensen zal zijn weg verkeren; en zijn hart zal zich tegen den HEERE vergrammen.

  • 11Want een iegelijk, die zichzelven verhoogt, zal vernederd worden; en die zichzelven vernedert, zal verhoogd worden.

  • 22De wijze beklimt de stad der geweldigen, en werpt de sterkte huns vertrouwens neder.

  • 3Als de goddeloze komt, komt ook de verachting en met schande versmaadheid.

  • 10Vernedert u voor den Heere, en Hij zal u verhogen.

  • 11De hel en het verderf zijn voor den HEERE; hoeveel te meer de harten van des mensenkinderen?

  • 15Hoort en neemt ter ore, verheft u niet; want de HEERE heeft het gesproken.

  • 3De trotsheid uws harten heeft u bedrogen; hij, die daar woont in de kloven der steenrotsen, in zijn hoge woning; die in zijn hart zegt: Wie zou mij ter aarde nederstoten?

  • Spr 14:28-29
    2 verzen
    71%

    28In de menigte des volks is des konings heerlijkheid; maar in gebrek van volk is eens vorsten verstoring.

    29De lankmoedige is groot van verstand; maar die haastig is van gemoed, verheft de dwaasheid.

  • 12Hebt gij een man gezien, die wijs in zijn ogen is! Van een zot is meer verwachting dan van hem.

  • 3In den mond des dwazen is een roede des hoogmoeds; maar de lippen der wijzen bewaren hen.

  • 1De mens heeft schikkingen des harten; maar het antwoord der tong is van den HEERE.

  • 6Een dwaas wordt gezet in grote hoogheden, maar de rijken zitten in de laagte.

  • 25Die grootmoedig is, verwekt gekijf; maar die op den HEERE vertrouwt, zal vet worden.

  • 18Zeg tot den koning en tot de koningin: Vernedert u, zet u neder; want uw ganse hoofdsieraad, de kroon uwer heerlijkheid, is nedergedaald.

  • 5Al wie hoog is van hart, is den HEERE een gruwel; hand aan hand, zal hij niet onschuldig zijn.

  • 11Een rijk man is wijs in zijn ogen; maar de arme, die verstandig is, doorzoekt hem.

  • 16De toorn des dwazen wordt ten zelven dage bekend; maar die kloekzinnig is, bedekt de schande.

  • 4Hoogheid der ogen, en trotsheid des harten, en de ploeging der goddelozen, zijn zonde.

  • 17Opdat Hij den mens afwende van zijn werk, en van den man de hovaardij verberge;

  • 16De wijze vreest, en wijkt van het kwade; maar de zot is oplopende toornig, en zorgeloos.

  • 16De gift des mensen maakt hem ruimte, en zij geleidt hem voor het aangezicht der groten.

  • 35De wijzen zullen eer beerven; maar elkeen der zotten neemt schande op zich.

  • 29Wij hebben Moabs hovaardij gehoord (hij is zeer hovaardig), zijn trotsheid, en zijn hovaardij, en zijn hoogmoed, en zijns harten hoogmoed.

  • 1Een man, die, dikwijls bestraft zijnde, den nek verhardt, zal schielijk verbroken worden, zodat er geen genezen aan zij.

  • 6Ja, Hij geeft meerdere genade. Daarom zegt de Schrift: God wederstaat de hovaardigen, maar den nederigen geeft Hij genade.

  • 23Een kloekzinnig mens bedekt de wetenschap; maar het hart der zotten roept dwaasheid uit.

  • 11Het verstand des mensen vertrekt zijn toorn; en zijn sieraad is de overtreding voorbij te gaan.

  • 12Als het hem lust, zijn staart is als een ceder; de zenuwen zijner schaamte zijn doorvlochten.