Spreuken 18:12
Voor de verbreking zal des mensen hart zich verheffen; en de nederigheid gaat voor de eer.
Voor de verbreking zal des mensen hart zich verheffen; en de nederigheid gaat voor de eer.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
18Hovaardigheid is voor de verbreking, en hoogheid des geestes voor den val.
19Het is beter nederig van geest te zijn met de zachtmoedigen, dan roof te delen met de hovaardigen.
23De hoogmoed des mensen zal hem vernederen; maar de nederige van geest zal de eer vasthouden.
33De vreze des HEEREN is de tucht der wijsheid; en de nederigheid gaat voor de eer.
2Als de hovaardigheid komt, zal de schande ook komen; maar met de ootmoedigen is wijsheid.
13Die antwoord geeft, eer hij zal gehoord hebben, dat is hem dwaasheid en schande.
11Des rijken goed is de stad zijner sterkte, en als een verheven muur in zijn inbeelding.
15Dan zal de gemene man nedergebogen worden, en de aanzienlijke man zal vernederd worden, en de ogen der hovaardigen zullen vernederd worden.
4Het loon der nederigheid, met de vreze des HEEREN, is rijkdom, en eer, en leven.
12En wie zichzelven verhogen zal, die zal vernederd worden; en wie zichzelven zal vernederen, die zal verhoogd worden.
10Ga in den rotssteen, en verberg u in het stof, vanwege den schrik des HEEREN, en om de heerlijkheid Zijner majesteit.
11De hoge ogen de mensen zullen vernederd worden, en de hoogheid der mannen zal nedergebogen worden; en de HEERE alleen zal in dien dag verheven zijn.
12Want de dag des HEEREN der heirscharen zal zijn tegen allen hovaardige en hoge, en tegen allen verhevene, opdat hij vernederd worde;
8Een ieder zal geprezen worden, naardat zijn verstandigheid is; maar die verkeerd van hart is, zal tot verachting wezen.
9Beter is, die zich gering acht, en een knecht heeft, dan die zichzelven eert, en des broods gebrek heeft.
10Door hovaardigheid maakt men niet dan gekijf; maar bij de beradenen is wijsheid.
18Armoede en schande is desgenen, die de tucht verwerpt; maar die de bestraffing waarneemt; zal geeerd worden.
17En de hoogheid der mensen zal gebogen, en de hoogheid der mannen zal vernederd worden; en de HEERE alleen zal in die dag verheven zijn.
3De dwaasheid des mensen zal zijn weg verkeren; en zijn hart zal zich tegen den HEERE vergrammen.
11Want een iegelijk, die zichzelven verhoogt, zal vernederd worden; en die zichzelven vernedert, zal verhoogd worden.
22De wijze beklimt de stad der geweldigen, en werpt de sterkte huns vertrouwens neder.
3Als de goddeloze komt, komt ook de verachting en met schande versmaadheid.
10Vernedert u voor den Heere, en Hij zal u verhogen.
11De hel en het verderf zijn voor den HEERE; hoeveel te meer de harten van des mensenkinderen?
15Hoort en neemt ter ore, verheft u niet; want de HEERE heeft het gesproken.
3De trotsheid uws harten heeft u bedrogen; hij, die daar woont in de kloven der steenrotsen, in zijn hoge woning; die in zijn hart zegt: Wie zou mij ter aarde nederstoten?
28In de menigte des volks is des konings heerlijkheid; maar in gebrek van volk is eens vorsten verstoring.
29De lankmoedige is groot van verstand; maar die haastig is van gemoed, verheft de dwaasheid.
12Hebt gij een man gezien, die wijs in zijn ogen is! Van een zot is meer verwachting dan van hem.
3In den mond des dwazen is een roede des hoogmoeds; maar de lippen der wijzen bewaren hen.
1De mens heeft schikkingen des harten; maar het antwoord der tong is van den HEERE.
6Een dwaas wordt gezet in grote hoogheden, maar de rijken zitten in de laagte.
25Die grootmoedig is, verwekt gekijf; maar die op den HEERE vertrouwt, zal vet worden.
18Zeg tot den koning en tot de koningin: Vernedert u, zet u neder; want uw ganse hoofdsieraad, de kroon uwer heerlijkheid, is nedergedaald.
5Al wie hoog is van hart, is den HEERE een gruwel; hand aan hand, zal hij niet onschuldig zijn.
11Een rijk man is wijs in zijn ogen; maar de arme, die verstandig is, doorzoekt hem.
16De toorn des dwazen wordt ten zelven dage bekend; maar die kloekzinnig is, bedekt de schande.
4Hoogheid der ogen, en trotsheid des harten, en de ploeging der goddelozen, zijn zonde.
17Opdat Hij den mens afwende van zijn werk, en van den man de hovaardij verberge;
16De wijze vreest, en wijkt van het kwade; maar de zot is oplopende toornig, en zorgeloos.
16De gift des mensen maakt hem ruimte, en zij geleidt hem voor het aangezicht der groten.
35De wijzen zullen eer beerven; maar elkeen der zotten neemt schande op zich.
29Wij hebben Moabs hovaardij gehoord (hij is zeer hovaardig), zijn trotsheid, en zijn hovaardij, en zijn hoogmoed, en zijns harten hoogmoed.
1Een man, die, dikwijls bestraft zijnde, den nek verhardt, zal schielijk verbroken worden, zodat er geen genezen aan zij.
6Ja, Hij geeft meerdere genade. Daarom zegt de Schrift: God wederstaat de hovaardigen, maar den nederigen geeft Hij genade.
23Een kloekzinnig mens bedekt de wetenschap; maar het hart der zotten roept dwaasheid uit.
11Het verstand des mensen vertrekt zijn toorn; en zijn sieraad is de overtreding voorbij te gaan.
12Als het hem lust, zijn staart is als een ceder; de zenuwen zijner schaamte zijn doorvlochten.