Spreuken 15:11
De hel en het verderf zijn voor den HEERE; hoeveel te meer de harten van des mensenkinderen?
De hel en het verderf zijn voor den HEERE; hoeveel te meer de harten van des mensenkinderen?
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
6De hel is naakt voor Hem, en geen deksel is er voor het verderf.
20De hel en het verderf worden niet verzadigd; alzo worden de ogen des mensen niet verzadigd.
24De weg des levens is den verstandige naar boven; opdat hij afwijke van de hel, beneden.
9De weg der goddelozen is den HEERE een gruwel; maar dien, die de gerechtigheid najaagt, zal Hij liefhebben.
10De tucht is onaangenaam voor dengene die het pad verlaat; en die de bestraffing haat, zal sterven.
14Daarom zal het graf zichzelf wijd opensperren, en zijn mond opendoen, zonder maat; opdat nederdale haar heerlijkheid, en haar menigte, met haar gedruis, en die in haar van vreugde opspringt.
3De dwaasheid des mensen zal zijn weg verkeren; en zijn hart zal zich tegen den HEERE vergrammen.
9Arglistig is het hart, meer dan enig ding, ja, dodelijk is het, wie zal het kennen?
10Ik, de HEERE, doorgrond het hart, en proef de nieren; en dat, om een iegelijk te geven naar zijn wegen, naar de vrucht zijner handelingen.
12Er is een weg, die iemand recht schijnt; maar het laatste van dien zijn wegen des doods.
20De verkeerden van hart zijn den HEERE een gruwel; maar de oprechten van weg zijn Zijn welgevallen.
3De smeltkroes is voor het zilver, en de oven voor het goud; maar de HEERE proeft de harten.
15Wij, die te zamen in zoetigheid heimelijk raadpleegden; wij wandelden in gezelschap ten huize Gods.
3Is niet het verderf voor den verkeerde, ja, wat vreemds voor de werkers der ongerechtigheid?
12Voor de verbreking zal des mensen hart zich verheffen; en de nederigheid gaat voor de eer.
9De hel van onderen was beroerd om uwentwil, om u tegemoet te gaan, als gij kwaamt; zij wekt om uwentwil de doden op, al de bokken der aarde; zij doet al de koningen der heidenen van hun tronen opstaan.
15Daarom zal zijn verderf haastelijk komen; hij zal schielijk verbroken worden, dat er geen genezen aan zij.
16Deze zes haat de HEERE; ja, zeven zijn Zijn ziel een gruwel:
16Vernieling en ellendigheid is in hun wegen;
27Haar huis zijn wegen des grafs, dalende naar de binnenkameren des doods.
1Een psalm van David, den knecht des HEEREN, voor den opperzangmeester.
15De dwaasheid is in het hart des jongen gebonden; de roede der tucht zal ze verre van hem wegdoen.
5Haar voeten dalen naar den dood, haar treden houden de hel vast.
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester. De dwaas zegt in zijn hart: Er is geen God. Zij verderven het, zij maken het gruwelijk met hun werk; er is niemand, die goed doet.
2De HEERE heeft uit den hemel nedergezien op de mensenkinderen, om te zien, of iemand verstandig ware, die God zocht.
8Zij is als de hoogten der hemelen, wat kunt gij doen? Dieper dan de hel, wat kunt gij weten?
1De mens heeft schikkingen des harten; maar het antwoord der tong is van den HEERE.
3Dit is een kwaad onder alles, wat onder de zon geschiedt, dat enerlei ding allen wedervaart, en dat ook het hart der mensenkinderen vol boosheid is, en dat er in hun leven onzinnigheden zijn in hun hart; en daarna moeten zij naar de doden toe.
21Want eens iegelijks wegen zijn voor de ogen des HEEREN, en Hij weegt al zijne gangen.
17De HEERE is bekend geworden; Hij heeft recht gedaan; de goddeloze is verstrikt in het werk zijner handen! Higgajon, Sela.
11Omdat niet haastelijk het oordeel over de boze daad geschiedt, daarom is het hart van de kinderen der mensen in hen vol om kwaad te doen.
15Hoort en neemt ter ore, verheft u niet; want de HEERE heeft het gesproken.
3De ogen des HEEREN zijn in alle plaatsen, beschouwende de kwaden en de goeden.
29De weg des HEEREN is voor den oprechte sterkte; maar voor de werkers der ongerechtigheid verstoring.
16Hoeveel te meer is een man gruwelijk en stinkende, die het onrecht indrinkt als water?
36Maar die tegen Mij zondigt, doet zijn ziel geweld aan; allen, die Mij haten, hebben den dood lief.
22En zijn ziel nadert ten verderve, en zijn leven tot de dingen, die doden.
5Banden des doods hadden mij omvangen, en beken Belials verschrikten mij.
18Hovaardigheid is voor de verbreking, en hoogheid des geestes voor den val.
14Gij zult hem met de roede slaan, en zijn ziel van de hel redden.
13De vreze des HEEREN is, te haten het kwade, de hovaardigheid, en den hoogmoed, en den kwaden weg; Ik haat ook den mond der verkeerdheden.
15Hebt gij het pad der eeuw waargenomen, dat de ongerechtige lieden betreden hebben?
13Dat gij uw geest keert tegen God, en zulke redenen uit uw mond laat uitgaan.
26Des bozen gedachten zijn den HEERE een gruwel; maar der reinen zijn liefelijke redenen.
19De droogte mitsgaders de hitte nemen de sneeuwwateren weg; alzo het graf dergenen, die gezondigd hebben.
1Een man, die, dikwijls bestraft zijnde, den nek verhardt, zal schielijk verbroken worden, zodat er geen genezen aan zij.
6Banden der hel omringden mij; strikken des doods bejegenden mij.
9Het hart des mensen overdenkt zijn weg; maar de HEERE stiert zijn gang.
2Al groeven zij tot in de hel, zo zal Mijn hand ze van daar halen, en al klommen zij in den hemel, zo zal Ik ze van daar doen nederdalen.
7Onze beenderen zijn verstrooid aan den mond des grafs, gelijk of iemand op de aarde iets gekloofd en verdeeld had.