2 Samuël 22:6

Statenvertaling (States Bible)

Banden der hel omringden mij; strikken des doods bejegenden mij.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Ps 116:3 : 3 De banden des doods hadden mij omvangen, en de angsten der hel hadden mij getroffen; ik vond benauwdheid en droefenis.
  • Ps 140:5 : 5 Bewaar mij, HEERE! van de handen des goddelozen; behoed mij van den man alles gewelds; van hen, die mijn voeten denken weg te stoten.
  • Spr 5:22 : 22 Den goddeloze zullen zijn ongerechtigheden vangen, en met de banden zijner zonden zal hij vastgehouden worden.
  • Spr 13:14 : 14 Des wijzen leer is een springader des levens, om af te wijken van de strikken des doods.
  • Spr 14:27 : 27 De vreze des HEEREN is een springader des levens, om af te wijken van de strikken des doods.
  • Jona 2:2 : 2 En hij zeide: Ik riep uit mijn benauwdheid tot den HEERE, en Hij antwoordde mij; uit den buik des grafs schreide ik, en Gij hoordet mijn stem.
  • Hand 2:24 : 24 Welken God opgewekt heeft, de smarten des doods ontbonden hebbende, alzo het niet mogelijk was, dat Hij van denzelven dood zou gehouden worden.
  • Job 36:8 : 8 En zo zij, gebonden zijnde in boeien, vast gehouden worden met banden der ellende;
  • Ps 18:5 : 5 Banden des doods hadden mij omvangen, en beken Belials verschrikten mij.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Ps 18:4-6
    3 verzen
    97%

    4Ik riep den HEERE aan, Die te prijzen is, en werd verlost van mijn vijanden.

    5Banden des doods hadden mij omvangen, en beken Belials verschrikten mij.

    6Banden der hel omringden mij, strikken des doods bejegenden mij.

  • Ps 116:3-4
    2 verzen
    91%

    3De banden des doods hadden mij omvangen, en de angsten der hel hadden mij getroffen; ik vond benauwdheid en droefenis.

    4Maar ik riep den Naam des HEEREN aan, zeggende: Och HEERE! bevrijd mijn ziel.

  • 5Want baren des doods hadden mij omvangen; beken Belials verschrikten mij.

  • Jona 2:2-7
    6 verzen
    82%

    2En hij zeide: Ik riep uit mijn benauwdheid tot den HEERE, en Hij antwoordde mij; uit den buik des grafs schreide ik, en Gij hoordet mijn stem.

    3Want Gij hadt mij geworpen in de diepte, in het hart der zeeen, en de stroom omving mij; al Uw baren en Uw golven gingen over mij henen.

    4En ik zeide: Ik ben uitgestoten van voor Uw ogen; nochtans zal ik den tempel Uwer heiligheid weder aanschouwen.

    5De wateren hadden mij omgeven tot de ziel toe, de afgrond omving mij; het wier was aan mijn hoofd gebonden.

    6Ik was nedergedaald tot de gronden der bergen; de grendelen der aarde waren om mij henen in eeuwigheid; maar Gij hebt mijn leven uit het verderf opgevoerd, o HEERE, mijn God!

    7Als mijn ziel in mij overstelpt was, dacht ik aan den HEERE, en mijn gebed kwam tot U, in den tempel Uwer heiligheid.

  • Ps 55:4-5
    2 verzen
    79%

    4Om den roep des vijands, vanwege de beangstiging des goddelozen; want zij schuiven ongerechtigheid op mij, en in toorn haten zij mij.

    5Mijn hart smart in het binnenste van mij, en verschrikkingen des doods zijn op mij gevallen.

  • 3Laat mijn gebed voor Uw aanschijn komen; neig Uw oor tot mijn geschrei.

  • Klaagl 3:6-7
    2 verzen
    75%

    6Beth. Hij heeft mij gezet in duistere plaatsen, als degenen, die over lang dood zijn.

    7Gimel. Hij heeft mij toegemuurd, dat ik er niet uit gaan kan; Hij heeft mijn koperen boeien verzwaard.

  • 13Want Hij zoekt de bloedstortingen, Hij gedenkt derzelve; Hij vergeet het geroep der ellendigen niet.

  • 10Daarom zijn strikken rondom u, en vervaardheid heeft u haastelijk beroerd.

  • Ps 69:1-2
    2 verzen
    75%

    1Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op Schoschannim.

    2Verlos mij, o God! want de wateren zijn gekomen tot aan de ziel.

  • 3Want de vijand vervolgt mijn ziel, hij vertreedt mijn leven ter aarde; hij legt mij in duisternissen, als degenen, die over lang dood zijn.

  • 6Afgezonderd onder de doden, gelijk de verslagenen, die in het graf liggen, die Gij niet meer gedenkt, en zij zijn afgesneden van Uw hand.

  • 18De HEERE heeft mij wel hard gekastijd; maar Hij heeft mij ter dood niet overgegeven.

  • 3Ik stortte mijn klacht uit voor Zijn aangezicht; ik gaf te kennen voor Zijn aangezicht mijn benauwdheid.

  • 6Verhef U boven de hemelen, o God! Uw eer zij over de ganse aarde.

  • 5Bewaar mij, HEERE! van de handen des goddelozen; behoed mij van den man alles gewelds; van hen, die mijn voeten denken weg te stoten.

  • 12Gij, o HEERE! zult Uw barmhartigheden van mij niet onthouden; laat Uw weldadigheid en Uw trouw mij geduriglijk behoeden.

  • 16Mijn kracht is verdroogd als een potscherf, en mijn tong kleeft aan mijn gehemelte; en Gij legt mij in het stof des doods.

  • 16Daarom stort zich nu mijn ziel in mij uit; de dagen des druks grijpen mij aan.

  • 54Tsade. De wateren zwommen over mijn hoofd; ik zeide: Ik ben afgesneden!

  • 16Van der jeugd aan ben ik bedrukt en doodbrakende; ik draag Uw vervaarnissen, ik ben twijfelmoedig.

  • 6Weet nu, dat God mij heeft omgekeerd, en mij met Zijn net omsingeld.

  • 20Resch. Aanzie, HEERE, want mij is bange; mijn ingewand is beroerd, mijn hart heeft zich omgekeerd in het binnenste van mij, want ik ben zeer wederspannig geweest; van buiten heeft mij het zwaard van kinderen beroofd, van binnen is als de dood.

  • 19Zij hadden mij bejegend ten dage mijns ongevals; maar de HEERE was mij een Steunsel.

  • 17Hij zond van de hoogte, Hij nam mij, Hij trok mij op uit grote wateren.

  • 3HEERE, mijn God! ik heb tot U geroepen, en Gij hebt mij genezen.

  • 15Ruk mij uit het slijk, en laat mij niet verzinken; laat mij gered worden van mijn haters, en uit de diepten der wateren.

  • 73%

    13Mem. Van de hoogte heeft Hij een vuur in mijn beenderen gezonden, waarover Hij geheerst heeft; Hij heeft voor mijn voeten een net uitgebreid, Hij heeft mij achterwaarts doen keren, Hij heeft mij woest en ziek gemaakt den gansen dag.

    14Nun. Het juk mijner overtredingen is aangebonden door Zijn hand, zij zijn samengevlochten, zij zijn op mijn hals geklommen; Hij heeft mijn kracht doen vervallen; de HEERE heeft mij in hun handen gegeven, ik kan niet opstaan.

  • 10Ik zeide: Vanwege de afsnijding mijner dagen, zal ik tot de poorten des grafs heengaan, ik word beroofd van het overige mijner jaren.

  • 7Als mij bange was, riep ik den HEERE aan, en riep tot mijn God; en Hij hoorde mijn stem uit Zijn paleis, en mijn geroep kwam in Zijn oren.

  • 15Zodat mijn ziel de verworging kiest; den dood meer dan mijn beenderen.

  • 9Bewaar mij voor het geweld des striks, dien zij mij gelegd hebben, en voor de valstrikken van de werkers der ongerechtigheid.

  • 12Zo wees niet verre van mij, want benauwdheid is nabij; want er is geen helper.

  • 17Zijn u de poorten des doods ontdekt, en hebt gij gezien de poorten van de schaduw des doods?

  • 13Want Uw goedertierenheid is groot over mij; en Gij hebt mijn ziel uit het onderste des grafs uitgerukt.

  • 16En de diepe kolken der wateren werden gezien, en de gronden der wereld werden ontdekt, van Uw schelden, o HEERE! van het geblaas des winds van Uw neus.

  • 1Een lied Hammaaloth. Uit de diepten roep ik tot U, o HEERE!

  • 13Zijn schutters hebben mij omringd; Hij heeft mijn nieren doorspleten, en niet gespaard; Hij heeft mijn gal op de aarde uitgegoten.