Spreuken 27:7

Statenvertaling (States Bible)

Een verzadigde ziel vertreedt het honigzeem; maar aan een hongerige ziel is alle bitter zoet.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Num 11:4-9 : 4 En het gemene volk, dat in het midden van hen was, werd met lust bevangen; daarom zo weenden ook de kinderen Israels wederom, en zeiden: Wie zal ons vlees te eten geven? 5 Wij gedenken aan de vissen, die wij in Egypte om niet aten; aan de komkommers, en aan de pompoenen, en aan het look, en aan de ajuinen, en aan het knoflook. 6 Maar nu is onze ziel dor, er is niet met al, behalve dit Man voor onze ogen! 7 Het Man nu was als korianderzaad, en zijn verf was als de verf van den bedolah. 8 Het volk liep hier en daar, en verzamelde het, en maalde het met molens, of stiet het in mortieren, en zood het in potten, en maakte daarvan koeken; en zijn smaak was als de smaak van de beste vochtigheid der olie. 9 En wanneer de dauw des nachts op het leger nederviel, viel het Man op hetzelve neder.
  • Num 11:18-20 : 18 En tot het volk zult gij zeggen: Heiligt u tegen morgen, en gij zult vlees eten; want gij hebt voor de oren des HEEREN geweend, zeggende: Wie zal ons vlees te eten geven? want het ging ons wel in Egypte! Daarom zal de HEERE u vlees geven, en gij zult eten. 19 Gij zult niet een dag, noch twee dagen eten, noch vijf dagen, noch tien dagen, noch twintig dagen; 20 Tot een gehele maand toe, totdat het uit uw neus uitga, en u tot walging zij; overmits gij den HEERE, Die in het midden van u is, verworpen hebt, en hebt voor Zijn aangezicht geweend, zeggende: Waarom nu zijn wij uit Egypte getogen?
  • Num 21:5 : 5 En het volk sprak tegen God en tegen Mozes: Waarom hebt gijlieden ons doen optrekken uit Egypte, opdat wij sterven zouden in de woestijn? Want hier is geen brood, ook geen water, en onze ziel walgt over dit zeer lichte brood.
  • Job 6:7 : 7 Mijn ziel weigert uw woorden aan te roeren; die zijn als mijn laffe spijze.
  • Luk 15:16-17 : 16 En hij begeerde zijn buik te vullen met den draf, dien de zwijnen aten; en niemand gaf hem dien. 17 En tot zichzelven gekomen zijnde, zeide hij: Hoe vele huurlingen mijns vaders hebben overvloed van brood, en ik verga van honger!
  • Joh 6:9 : 9 Hier is een jongsken, dat vijf gerstebroden heeft, en twee visjes; maar wat zijn deze onder zo velen?

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Spr 25:16-17
    2 verzen
    78%

    16Hebt gij honig gevonden, eet dat u genoeg is; opdat gij misschien daarvan niet zat wordt, en dien uitspuwt.

    17Spaar uw voet van het huis uws naasten, opdat hij niet zat van u worde, en u hate.

  • 6De wonden des liefhebbers zijn getrouw; maar de kussingen des haters zijn af te bidden.

  • 13Eet honig, mijn zoon! want hij is goed, en honigzeem is zoet voor uw gehemelte.

  • 20Zodat zijn leven het brood zelf verfoeit, en zijn ziel de begeerlijke spijze;

  • Job 6:6-7
    2 verzen
    74%

    6Wordt ook het onsmakelijke gegeten zonder zout? Is er smaak in het witte des dooiers?

    7Mijn ziel weigert uw woorden aan te roeren; die zijn als mijn laffe spijze.

  • 17Het brood der leugen is den mens zoet; maar daarna zal zijn mond vol van zandsteentjes worden.

  • 17De gestolen wateren zijn zoet, en het verborgen brood is liefelijk.

  • 25De rechtvaardige eet tot verzadiging zijner ziel toe; maar de buik der goddelozen zal gebrek hebben.

  • 9Want Hij heeft de dorstige ziel verzadigd, en de hongerige ziel met goed vervuld;

  • 25De ander daarentegen sterft met een bittere ziel, en hij heeft van het goede niet gegeten.

  • 103Hoe zoet zijn Uw redenen mijn gehemelte geweest, meer dan honig mijn mond!

  • 24Liefelijke redenen zijn een honigraat, zoet voor de ziel, en medicijn voor het gebeente.

  • Spr 23:6-8
    3 verzen
    72%

    6Eet het brood niet desgenen, die boos is van oog, en wees niet belust op zijn smakelijke spijzen;

    7Want gelijk hij bedacht heeft in zijn ziel, alzo zal hij tot u zeggen: Eet en drink! maar zijn hart is niet met u;

    8Uw bete, die gij gegeten hebt, zoudt gij uitspuwen; en gij zoudt uw liefelijke woorden verderven.

  • 7Al de arbeid des mensen is voor zijn mond; en nochtans wordt de begeerlijkheid niet vervuld.

  • 10De vreze des HEEREN is rein, bestaande tot in eeuwigheid, de rechten des HEEREN zijn waarheid, samen zijn zij rechtvaardig.

  • 5Zij waren hongerig, ook dorstig; hun ziel was in hen overstelpt.

  • 27Veel honigs te eten is niet goed; maar de onderzoeking van de heerlijkheid van zulke dingen is eer.

  • 18Hun ziel gruwelde van alle spijze, en zij waren tot aan de poorten des doods gekomen.

  • 30Men doet een dief geen verachting aan, als hij steelt om zijn ziel te vullen, dewijl hij honger heeft;

  • 19De begeerte, die geschiedt, is zoet voor de ziel; maar het is den zotten een gruwel van het kwade af te wijken.

  • 2Een ieder zal van de vrucht des monds het goede eten; maar de ziel der trouwelozen het geweld.

  • Spr 27:8-9
    2 verzen
    70%

    8Gelijk een vogel is, die uit zijn nest omdoolt, alzo is een man, die omdoolt uit zijn plaats.

    9Olie en reukwerk verblijdt het hart; alzo is de zoetigheid van iemands vriend, vanwege den raad der ziel.

  • 25Want Ik heb de vermoeide ziel dronken gemaakt, en Ik heb alle treurige ziel vervuld.

  • Opb 10:9-10
    2 verzen
    70%

    9En ik ging henen tot den engel, zeggende tot hem: Geef mij dat boeksken. En hij zeide tot mij: Neem dat en eet het op; en het zal uw buik bitter maken, maar in uw mond zal het zoet zijn als honig.

    10En ik nam dat boeksken uit de hand des engels, en ik at dat op; en het was in mijn mond zoet als honig, en als ik het gegeten had, werd mijn buik bitter.

  • 12Indien het kwaad in zijn mond zoet is, hij dat verbergt, onder zijn tong,

  • 15He. Hij heeft mij met bitterheden verzadigd, Hij heeft mij met alsem dronken gemaakt.

  • 69%

    25En het ganse volk kwam in een woud; en daar was honig op het veld.

    26Toen het volk in het woud kwam, ziet, zo was er een honigvloed; maar niemand raakte met zijn hand aan zijn mond, want het volk vreesde de bezwering.

  • 29Toen zeide Jonathan: Mijn vader heeft het land beroerd; zie toch, hoe mijn ogen verlicht zijn, omdat ik een weinig van dezen honig gesmaakt heb;

  • 14Zijn spijze zal in zijn ingewand veranderd worden; gal der adderen zal zij in het binnenste van hem zijn.

  • 3Laat u niet gelusten zijner smakelijke spijzen, want het is een leugenachtig brood.

  • 5Die verzadigd waren, hebben zich verhuurd om brood, en die hongerig waren, zijn het niet meer; totdat de onvruchtbare zeven heeft gebaard, en die vele kinderen had, krachteloos is geworden.

  • 20De hel en het verderf worden niet verzadigd; alzo worden de ogen des mensen niet verzadigd.

  • 20Van de vrucht van ieders mond zal zijn buik verzadigd worden; hij zal verzadigd worden van de inkomst zijner lippen.

  • 17Beter is een gerecht van groen moes, waar ook liefde is, dan een gemeste os, en haat daarbij.

  • 15Boter en honig zal Hij eten, totdat Hij wete te verwerpen het kwade, en te verkiezen het goede.

  • 3Want het oor proeft de woorden, gelijk het gehemelte de spijze smaakt.

  • 29En honig, en boter, en schapen, en koeienkazen, brachten tot David, en tot het volk, dat met hem was, om te eten, want zij zeiden: Dit volk is hongerig, en moede, en dorstig in de woestijn.

  • 14Welker mond vol is van vervloeking en bitterheid;

  • 22En het zal geschieden, dat hij vanwege de veelheid der melk, die zij geven zullen, boter zal eten; ja, een ieder, die overgebleven zal zijn in het midden des lands, die zal boter en honig eten.

  • 6Maar nu is onze ziel dor, er is niet met al, behalve dit Man voor onze ogen!

  • 4Maar het laatste van haar is bitter als alsem, scherp als een tweesnijdend zwaard.

  • 11Zal niet het oor de woorden proeven, gelijk het gehemelte voor zich de spijze smaakt?

  • 17De stromen, rivieren, beken van honig en boter zal hij niet zien.