Psalmen 107:9
Want Hij heeft de dorstige ziel verzadigd, en de hongerige ziel met goed vervuld;
Want Hij heeft de dorstige ziel verzadigd, en de hongerige ziel met goed vervuld;
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
25Want Ik heb de vermoeide ziel dronken gemaakt, en Ik heb alle treurige ziel vervuld.
8Laat hen voor den HEERE Zijn goedertierenheid loven, en Zijn wonderwerken voor de kinderen der mensen.
5Zij waren hongerig, ook dorstig; hun ziel was in hen overstelpt.
6Doch roepende tot den HEERE in de benauwdheid, die zij hadden, heeft Hij hen gered uit hun angsten;
25De rechtvaardige eet tot verzadiging zijner ziel toe; maar de buik der goddelozen zal gebrek hebben.
15Ain. Aller ogen wachten op U; en Gij geeft hun hun spijs te zijner tijd.
16Pe. Gij doet Uw hand open, en verzadigt al wat er leeft, naar Uw welbehagen.
5Die uw mond verzadigt met het goede, uw jeugd vernieuwt als eens arends.
53Hongerigen heeft Hij met goederen vervuld; en rijken heeft Hij ledig weggezonden.
35Hij stelt de woestijn tot een waterpoel, en het dorre land tot watertochten.
36En Hij doet de hongerigen aldaar wonen, en zij stichten een stad ter woning;
10En zo gij uw ziel opent voor den hongerige, en de bedrukte ziel verzadigt; dan zal uw licht in de duisternis opgaan, en uw donkerheid zal zijn als de middag.
11En de HEERE zal u geduriglijk leiden, en Hij zal uw ziel verzadigen in grote droogten, en uw beenderen vaardig maken; en gij zult zijn als een gewaterde hof, en als een springader der wateren, welker wateren niet ontbreken.
7Een verzadigde ziel vertreedt het honigzeem; maar aan een hongerige ziel is alle bitter zoet.
29Toen aten zij, en werden zeer zat; zodat Hij hun hun lust toebracht.
5Alzo zou ik U loven in mijn leven; in Uw Naam zou ik mijn handen opheffen.
26Van U zal mijn lof zijn in een grote gemeente; ik zal mijn geloften betalen in tegenwoordigheid dergenen, die Hem vrezen.
14En Ik zal de ziel der priesteren met vettigheid dronken maken; en Mijn volk zal met Mijn goed verzadigd worden, spreekt de HEERE.
10Die in duisternis en de schaduw des doods zaten, gebonden met verdrukking en ijzer;
19Om hun ziel van den dood te redden, en om hen bij het leven te houden in den honger.
6Zalig zijn die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid; want zij zullen verzadigd worden.
27Zij allen wachten op U, dat Gij hun hun spijze geeft te zijner tijd.
28Geeft Gij ze hun, zij vergaderen ze; doet Gij Uw hand open, zij worden met goed verzadigd.
15Ik zal haar kost rijkelijk zegenen, haar nooddruftigen zal Ik met brood verzadigen.
21Laat hen voor den HEERE Zijn goedertierenheid loven, en Zijn wonderwerken voor de kinderen der mensen.
19Doch roepende tot den HEERE in de benauwdheid, die zij hadden, verloste Hij hen uit hun angsten.
14Verzadig ons in den morgenstond met Uw goedertierenheid, zo zullen wij juichen, en verblijd zijn in al onze dagen.
15Laat hen voor den HEERE Zijn goedertierenheid loven, en Zijn wonderwerken voor de kinderen der mensen;
7Die den verdrukte recht doet, Die den hongerige brood geeft; de HEERE maakt de gevangenen los.
31Laat hen voor den HEERE Zijn goedertierenheid loven, en Zijn wonderwerken voor de kinderen der mensen.
10Jod. Vreest den HEERE, gij Zijn heiligen! want die Hem vrezen, hebben geen gebrek.
3De HEERE laat de ziel des rechtvaardigen niet hongeren; maar de have der goddelozen stoot Hij weg.
8Cheth. De Engel des HEEREN legert Zich rondom degenen, die Hem vrezen, en rukt hen uit.
25Teth. De HEERE is goed dengenen, die Hem verwachten, der ziele, die Hem zoekt.
8Hoe dierbaar is Uw goedertierenheid, o God! Dies de mensenkinderen onder de schaduw Uwer vleugelen toevlucht nemen.
7Al de arbeid des mensen is voor zijn mond; en nochtans wordt de begeerlijkheid niet vervuld.
14Die afkerig van hart is, zal van zijn wegen verzadigd worden; maar een goed man van zichzelven.
40Zij baden, en Hij deed kwakkelen komen, en Hij verzadigde hen met hemels brood.
9Die goed van oog is, die zal gezegend worden; want hij heeft van zijn brood den armen gegeven.
2Waarom weegt gijlieden geld uit voor hetgeen geen brood is, en uw arbeid voor hetgeen niet verzadigen kan? Hoort aandachtiglijk naar Mij, en eet het goede, en laat uw ziel in vettigheid zich verlustigen.
7Mijn ziel! keer weder tot uw rust, want de HEERE heeft aan u welgedaan.
20Mijn ziel is verbroken vanwege het verlangen naar Uw oordelen te aller tijd.
10Als gij dan zult gegeten hebben, en verzadigd zijn, zo zult gij den HEERE, uw God, loven over dat goede land, dat Hij u zal hebben gegeven.
25Die allen vlees spijs geeft; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.
1Looft den HEERE, want Hij is goed; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.
20Van de vrucht van ieders mond zal zijn buik verzadigd worden; hij zal verzadigd worden van de inkomst zijner lippen.
9Die het vee zijn voeder geeft; aan de jonge raven, als zij roepen.
25De zegenende ziel zal vet gemaakt worden; en die bevochtigt, zal ook zelf een vroege regen worden.
31Want daardoor richt Hij de volken; Hij geeft spijze ten overvloede.
7Ik haat degenen, die op valse ijdelheden acht nemen, en ik betrouw op den HEERE.