Psalmen 103:5
Die uw mond verzadigt met het goede, uw jeugd vernieuwt als eens arends.
Die uw mond verzadigt met het goede, uw jeugd vernieuwt als eens arends.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
3Die al uw ongerechtigheid vergeeft, die al uw krankheden geneest;
4Die uw leven verlost van het verderf, die u kroont met goedertierenheid en barmhartigheden;
8Laat hen voor den HEERE Zijn goedertierenheid loven, en Zijn wonderwerken voor de kinderen der mensen.
9Want Hij heeft de dorstige ziel verzadigd, en de hongerige ziel met goed vervuld;
11Gelijk een arend zijn nest opwekt, over zijn jongen zweeft, zijn vleugelen uitbreidt, ze neemt en ze draagt op zijn vlerken;
31Maar dien den HEERE verwachten, zullen de kracht vernieuwen; zij zullen opvaren met vleugelen, gelijk de arenden; zij zullen lopen, en niet moede worden; zij zullen wandelen, en niet mat worden.
6De HEERE doet gerechtigheid en gerichten al dengenen, die onderdrukt worden.
27Met schudding en beroering slokt het de aarde op, en gelooft niet, dat het is het geluid der bazuin.
5Alzo zou ik U loven in mijn leven; in Uw Naam zou ik mijn handen opheffen.
14Verzadig ons in den morgenstond met Uw goedertierenheid, zo zullen wij juichen, en verblijd zijn in al onze dagen.
15Verblijd ons naar de dagen, in dewelke Gij ons gedrukt hebt, naar de jaren, in dewelke wij het kwaad gezien hebben.
9Die het vee zijn voeder geeft; aan de jonge raven, als zij roepen.
15Ain. Aller ogen wachten op U; en Gij geeft hun hun spijs te zijner tijd.
16Pe. Gij doet Uw hand open, en verzadigt al wat er leeft, naar Uw welbehagen.
27Zij allen wachten op U, dat Gij hun hun spijze geeft te zijner tijd.
28Geeft Gij ze hun, zij vergaderen ze; doet Gij Uw hand open, zij worden met goed verzadigd.
7Uw gerechtigheid is als de bergen Gods; Uw oordelen zijn een grote afgrond; HEERE! Gij behoudt mensen en beesten.
8Hoe dierbaar is Uw goedertierenheid, o God! Dies de mensenkinderen onder de schaduw Uwer vleugelen toevlucht nemen.
11En de HEERE zal u geduriglijk leiden, en Hij zal uw ziel verzadigen in grote droogten, en uw beenderen vaardig maken; en gij zult zijn als een gewaterde hof, en als een springader der wateren, welker wateren niet ontbreken.
25Zijn vlees zal frisser worden dan het was in de jeugd; hij zal tot de dagen zijner jonkheid wederkeren.
10Jod. Vreest den HEERE, gij Zijn heiligen! want die Hem vrezen, hebben geen gebrek.
21De jonge leeuwen, briesende om een roof, en om hun spijs van God te zoeken.
6Zult Gij eeuwiglijk tegen ons toornen? Zult Gij Uw toorn uitstrekken van geslacht tot geslacht?
26Van U zal mijn lof zijn in een grote gemeente; ik zal mijn geloften betalen in tegenwoordigheid dergenen, die Hem vrezen.
13Hij drenkt de bergen uit Zijn opperzalen; de aarde wordt verzadigd van de vrucht Uwer werken.
14Met Uw hand van de lieden, o HEERE! van de lieden, die van de wereld zijn, welker deel in dit leven is, welker buik Gij vervult met Uw verborgen schat; de kinderen worden verzadigd, en zij laten hun overschot hun kinderkens achter.
15Maar ik zal Uw aangezicht in gerechtigheid aanschouwen, ik zal verzadigd worden met Uw beeld, als ik zal opwaken.
39
9Verblijd u, o jongeling! in uw jeugd, en laat uw hart zich vermaken in de dagen uwer jongelingschap, en wandel in de wegen uws harten, en in de aanschouwingen uwer ogen; maar weet, dat God, om al deze dingen, u zal doen komen voor het gericht.
25Want Ik heb de vermoeide ziel dronken gemaakt, en Ik heb alle treurige ziel vervuld.
7Als ik Uwer gedenk op mijn legerstede, zo peins ik aan U in de nachtwaken.
11Gij maakt zijn omgeploegde aarde dronken; Gij doet ze dalen in zijn voren; Gij maakt het week door de druppelen; Gij zegent zijn uitspruitsel.
40Zij baden, en Hij deed kwakkelen komen, en Hij verzadigde hen met hemels brood.
16Ik zal hem met langheid der dagen verzadigen, en Ik zal hem Mijn heil doen zien.
103Hoe zoet zijn Uw redenen mijn gehemelte geweest, meer dan honig mijn mond!
41
5Zijn Uw dagen als de dagen van een mens? Zijn Uw jaren als de dagen eens mans?
15En den wijn, die het hart des mensen verheugt, doende het aangezicht blinken van olie; en het brood, dat het hart des mensen sterkt.
3Voorwaar, ik heb U in het heiligdom aanschouwd, ziende Uw sterkheid en Uw eer;
17Ja, uw tijd zal klaarder dan de middag oprijzen; gij zult uitvliegen, als de morgenstond zult gij zijn.
25Een iegelijk at het brood der Machtigen; Hij zond hun teerkost tot verzadiging.
30Zendt Gij Uw Geest uit, zo worden zij geschapen, en Gij vernieuwt het gelaat des aardrijks.
14Dan zult gij u verlustigen in den HEERE, en Ik zal u doen rijden op de hoogten der aarde, en Ik zal u spijzigen met de erve van uw vader Jakob; want de mond des HEEREN heeft het gesproken.
4En verlustig u in den HEERE, zo zal Hij u geven de begeerten uws harten.
33Het is God, Die mij met kracht omgordt; en Hij heeft mijn weg volkomen gemaakt.
5Zult gij uw ogen laten vliegen op hetgeen niets is? Want het zal zich gewisselijk vleugelen maken gelijk een arend, die naar den hemel vliegt.
19Koph. Onze vervolgers zijn sneller geweest dan de arenden des hemels; zij hebben ons op de bergen hittiglijk vervolgd, in de woestijn hebben zij ons lagen gelegd.
26Zij zijn voorbijgevaren met jachtschepen; gelijk een arend naar het aas toevliegt.
19Ook is Uw gerechtigheid, o God, tot in de hoogte; Gij, Die grote dingen gedaan hebt; o God! wie is U gelijk?
20