Psalmen 119:103
Hoe zoet zijn Uw redenen mijn gehemelte geweest, meer dan honig mijn mond!
Hoe zoet zijn Uw redenen mijn gehemelte geweest, meer dan honig mijn mond!
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
10De vreze des HEEREN is rein, bestaande tot in eeuwigheid, de rechten des HEEREN zijn waarheid, samen zijn zij rechtvaardig.
11Zij zijn begeerlijker dan goud, ja, dan veel fijn goud; en zoeter dan honig en honigzeem.
24Liefelijke redenen zijn een honigraat, zoet voor de ziel, en medicijn voor het gebeente.
13Eet honig, mijn zoon! want hij is goed, en honigzeem is zoet voor uw gehemelte.
127Daarom heb ik Uw geboden lief, meer dan goud, ja, meer dan het fijnste goud.
72De wet Uws monds is mij beter, dan duizenden van goud of zilver.
102Ik ben niet geweken van Uw rechten, want Gij hebt mij geleerd.
140Uw woord is zeer gelouterd, en Uw knecht heeft het lief.
171Mijn lippen zullen Uw lof overvloediglijk uitstorten, als Gij mij Uw inzettingen zult geleerd hebben.
172Mijn tong zal spraak houden van Uw rede, want al Uw geboden zijn rechtvaardigheid.
10Ik zoek U met mijn gehele hart, laat mij van Uw geboden niet afdwalen.
11Ik heb Uw rede in mijn hart verborgen, opdat ik tegen U niet zondigen zou.
12HEERE! Gij zijt gezegend; leer mij Uw inzettingen.
13Ik heb met mijn lippen verteld al de rechten Uws monds.
14Ik ben vrolijker in den weg Uwer getuigenissen, dan over allen rijkdom.
34Mijn overdenking van Hem zal zoet zijn; ik zal mij in den HEERE verblijden.
97Mem. Hoe lief heb ik Uw wet! Zij is mijn betrachting den gansen dag.
98Zij maakt mij door Uw geboden wijzer, dan mijn vijanden zijn, want zij is in eeuwigheid bij mij.
99Ik ben verstandiger dan al mijn leraars, omdat Uw getuigenissen mijn betrachting zijn.
129Pe. Uw getuigenissen zijn wonderbaar, daarom bewaart ze mijn ziel.
130De opening Uwer woorden geeft licht, de slechten verstandig makende.
131Ik heb mijn mond wijd opengedaan, en gehijgd, want ik heb verlangd naar Uw geboden.
12Het gebod Zijner lippen heb ik ook niet weggedaan; de redenen Zijns monds heb ik meer dan mijn bescheiden deel weggelegd.
159Zie aan, dat ik Uw bevelen lief heb, o HEERE! maak mij levend naar Uw goedertierenheid.
160Het begin Uws woords is waarheid, en in der eeuwigheid is al het recht Uwer gerechtigheid.
104Uit Uw bevelen krijg ik verstand, daarom haat ik alle leugenpaden.
105Nun. Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad.
16Als Uw woorden gevonden zijn, zo heb ik ze opgegeten, en Uw woord is mij geweest tot vreugde en tot blijdschap mijns harten; want ik ben naar Uw Naam genoemd, o HEERE, God der heirscharen!
6Hun rechters zijn aan de zijde der steenrots vrijgelaten geweest, en hebben gehoord mijn redenen, dat zij aangenaam waren.
18Want het is liefelijk, als gij die in uw binnenste bewaart; zij zullen samen op uw lippen gepast worden.
43En ruk het woord der waarheid van mijn mond niet al te zeer, want ik hoop op Uw rechten.
162Ik ben vrolijk over Uw toezegging, als een, die een groten buit vindt.
7Een verzadigde ziel vertreedt het honigzeem; maar aan een hongerige ziel is alle bitter zoet.
3Voorwaar, ik heb U in het heiligdom aanschouwd, ziende Uw sterkheid en Uw eer;
174O HEERE! ik verlang naar Uw heil, en Uw wet is al mijn vermaking.
167Mijn ziel onderhoudt Uw getuigenissen, en ik heb ze zeer lief.
47En ik zal mij vermaken in Uw geboden, die ik liefheb.
143Benauwdheid en angst hebben mij getroffen, doch Uw geboden zijn mijn vermakingen.
16Ik zal mijzelven vermaken in Uw inzettingen; Uw woord zal ik niet vergeten.
111Ik heb Uw getuigenissen genomen tot een eeuwige erve, want zij zijn mijns harten vrolijkheid.
77Laat mij Uw barmhartigheden overkomen, opdat ik leve, want Uw wet is al mijn vermaking.
2Hij kusse mij met de kussen Zijns monds; want Uw uitnemende liefde is beter dan wijn.
88Maak mij levend naar Uw goedertierenheid, dan zal ik de getuigenis Uws monds onderhouden.
3Want het oor proeft de woorden, gelijk het gehemelte de spijze smaakt.
108Laat U toch, o HEERE! welgevallen de vrijwillige offeranden mijns monds, en leer mij Uw rechten.
16En mijn nieren zullen van vreugde opspringen, als uw lippen billijkheden spreken zullen.
35Doe mij treden op het pad Uwer geboden, want daarin heb ik lust.
57Cheth. De HEERE is mijn deel, ik heb gezegd, dat ik Uw woorden zal bewaren.
66Leer mij een goeden zin en wetenschap, want ik heb aan Uw geboden geloofd.
24Ook zijn Uw getuigenissen mijn vermakingen, en mijn raadslieden.