Psalmen 119:104
Uit Uw bevelen krijg ik verstand, daarom haat ik alle leugenpaden.
Uit Uw bevelen krijg ik verstand, daarom haat ik alle leugenpaden.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
127Daarom heb ik Uw geboden lief, meer dan goud, ja, meer dan het fijnste goud.
128Daarom heb ik alle Uw bevelen, van alles, voor recht gehouden; maar alle valse pad heb ik gehaat.
129Pe. Uw getuigenissen zijn wonderbaar, daarom bewaart ze mijn ziel.
163Ik haat de valsheid, en heb er een gruwel van; maar Uw wet heb ik lief.
113Samech. Ik haat de kwade ranken, maar heb Uw wet lief.
105Nun. Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad.
97Mem. Hoe lief heb ik Uw wet! Zij is mijn betrachting den gansen dag.
98Zij maakt mij door Uw geboden wijzer, dan mijn vijanden zijn, want zij is in eeuwigheid bij mij.
99Ik ben verstandiger dan al mijn leraars, omdat Uw getuigenissen mijn betrachting zijn.
100Ik ben voorzichtiger dan de ouden, omdat ik Uw bevelen bewaard heb.
101Ik heb mijn voeten geweerd van alle kwade paden, opdat ik Uw woord zou onderhouden.
102Ik ben niet geweken van Uw rechten, want Gij hebt mij geleerd.
103Hoe zoet zijn Uw redenen mijn gehemelte geweest, meer dan honig mijn mond!
118Gij vertreedt al degenen, die van Uw inzettingen afdwalen, want hun bedrog is leugen.
119Gij doet alle goddelozen der aarde weg als schuim, daarom heb ik Uw getuigenissen lief.
33He. HEERE! leer mij den weg Uwer inzettingen, en ik zal hem houden ten einde toe.
34Geef mij het verstand, en ik zal Uw wet houden; ja, ik zal ze onderhouden met gansen harte.
35Doe mij treden op het pad Uwer geboden, want daarin heb ik lust.
13De vreze des HEEREN is, te haten het kwade, de hovaardigheid, en den hoogmoed, en den kwaden weg; Ik haat ook den mond der verkeerdheden.
69De hovaardigen hebben leugens tegen mij gestoffeerd; doch ik bewaar Uw bevelen van ganser harte.
110De goddelozen hebben mij een strik gelegd; nochtans ben ik niet afgedwaald van Uw bevelen.
9Beth. Waarmede zal de jongeling zijn pad zuiver houden? Als hij dat houdt naar Uw woord.
10Ik zoek U met mijn gehele hart, laat mij van Uw geboden niet afdwalen.
11Ik heb Uw rede in mijn hart verborgen, opdat ik tegen U niet zondigen zou.
140Uw woord is zeer gelouterd, en Uw knecht heeft het lief.
27Geef mij den weg Uwer bevelen te verstaan, opdat ik Uw wonderen betrachte.
14Ik ben vrolijker in den weg Uwer getuigenissen, dan over allen rijkdom.
15Ik zal Uw bevelen overdenken, en op Uw paden letten.
66Leer mij een goeden zin en wetenschap, want ik heb aan Uw geboden geloofd.
22Ik haat hen met volkomen haat, tot vijanden zijn zij mij.
167Mijn ziel onderhoudt Uw getuigenissen, en ik heb ze zeer lief.
168Ik onderhoud Uw bevelen en Uw getuigenissen, want al mijn wegen zijn voor U.
169Thau. O HEERE! laat mijn geschrei voor Uw aanschijn genaken, maak mij verstandig naar Uw woord.
29Wend van mij den weg der valsheid, en verleen mij genadiglijk Uw wet.
30Ik heb verkoren den weg der waarheid, Uw rechten heb ik mij voorgesteld.
144De gerechtigheid Uwer getuigenissen is in der eeuwigheid; doe ze mij verstaan, zo zal ik leven.
6In Uw hand beveel ik mijn geest; Gij hebt mij verlost, HEERE, Gij, God der waarheid!
56Dat is mij geschied, omdat ik Uw bevelen bewaard heb.
159Zie aan, dat ik Uw bevelen lief heb, o HEERE! maak mij levend naar Uw goedertierenheid.
160Het begin Uws woords is waarheid, en in der eeuwigheid is al het recht Uwer gerechtigheid.
3Ik zal geen Belials-stuk voor mijn ogen stellen; ik haat het doen der afvalligen, het zal mij niet aankleven.
4Het verkeerde hart zal van mij wijken; den boze zal ik niet kennen.
43En ruk het woord der waarheid van mijn mond niet al te zeer, want ik hoop op Uw rechten.
125Ik ben Uw knecht, maak mij verstandig, en ik zal Uw getuigenissen kennen.
4Aangaande de handelingen des mensen, ik heb mij, naar het woord Uwer lippen, gewacht voor de paden des inbrekers;
86Al Uw geboden zijn waarheid; zij vervolgen mij met leugen, help mij.
95De goddelozen hebben op mij gewacht, om mij te doen vergaan; ik neem acht op Uw getuigenissen.
5Och, dat mijn wegen gericht werden, om Uw inzettingen te bewaren!
133Maak mijn voetstappen vast in Uw Woord, en laat geen ongerechtigheid over mij heersen.
22Wentel van mij versmaadheid en verachting, want ik heb Uw getuigenissen onderhouden.