Spreuken 16:24
Liefelijke redenen zijn een honigraat, zoet voor de ziel, en medicijn voor het gebeente.
Liefelijke redenen zijn een honigraat, zoet voor de ziel, en medicijn voor het gebeente.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
13Eet honig, mijn zoon! want hij is goed, en honigzeem is zoet voor uw gehemelte.
14Zodanig is de kennis der wijsheid voor uw ziel; als gij ze vindt, zo zal er beloning wezen, en uw verwachting zal niet afgesneden worden.
103Hoe zoet zijn Uw redenen mijn gehemelte geweest, meer dan honig mijn mond!
22Want zij zijn het leven dengenen, die ze vinden, en een medicijn voor hun gehele vlees.
23Het hart eens wijzen maakt zijn mond verstandig, en zal op zijn lippen de lering vermeerderen.
21De wijze van hart zal verstandig genoemd worden; en de zoetheid der lippen zal de lering vermeerderen.
18Want het is liefelijk, als gij die in uw binnenste bewaart; zij zullen samen op uw lippen gepast worden.
8Het zal een medicijn voor uw navel zijn, en een bevochtiging voor uw beenderen.
10De vreze des HEEREN is rein, bestaande tot in eeuwigheid, de rechten des HEEREN zijn waarheid, samen zijn zij rechtvaardig.
4De medicijn der tong is een boom des levens; maar de verkeerdheid in dezelve is een breuk in den geest.
22Een blij hart zal een medicijn goed maken; maar een verslagen geest zal het gebeente verdrogen.
10Als de wijsheid in uw hart zal gekomen zijn, en de wetenschap voor uw ziel zal liefelijk zijn;
25Er is een weg, die iemand recht schijnt; maar het laatste van dien zijn wegen des doods.
15Een overste wordt door lankmoedigheid overreed; en een zachte tong breekt het gebeente.
16Hebt gij honig gevonden, eet dat u genoeg is; opdat gij misschien daarvan niet zat wordt, en dien uitspuwt.
11Een rede, op zijn pas gesproken, is als gouden appelen in zilveren gebeelde schalen.
23Een man heeft blijdschap in het antwoord zijns monds; en hoe goed is een woord op zijn tijd!
24De weg des levens is den verstandige naar boven; opdat hij afwijke van de hel, beneden.
6De wonden des liefhebbers zijn getrouw; maar de kussingen des haters zijn af te bidden.
7Een verzadigde ziel vertreedt het honigzeem; maar aan een hongerige ziel is alle bitter zoet.
17Haar wegen zijn wegen der liefelijkheid, en al haar paden vrede.
30Het licht der ogen verblijdt het hart; een goed gerucht maakt het gebeente vet.
13De lippen der gerechtigheid zijn het welgevallen der koningen; en elkeen van hen zal liefhebben dien, die rechte dingen spreekt.
30Een gezond hart is het leven des vleses; maar nijd is verrotting der beenderen.
16En mijn nieren zullen van vreugde opspringen, als uw lippen billijkheden spreken zullen.
6Hun rechters zijn aan de zijde der steenrots vrijgelaten geweest, en hebben gehoord mijn redenen, dat zij aangenaam waren.
3Want de lippen der vreemde vrouw druppen honigzeem, en haar gehemelte is gladder dan olie.
20Van de vrucht van ieders mond zal zijn buik verzadigd worden; hij zal verzadigd worden van de inkomst zijner lippen.
21Dood en leven zijn in het geweld der tong; en een ieder, die ze liefheeft, zal haar vrucht eten.
25Bekommernis in het hart des mensen buigt het neder; maar een goed woord verblijdt het.
18Daar is een, die woorden als steken van een zwaard onbedachtelijk uitspreekt; maar de tong der wijzen is medicijn.
24Zijn melkvaten waren vol melk, en het merg zijner benen was bevochtigd.
1Een zacht antwoord keert de grimmigheid af; maar een smartend woord doet den toorn oprijzen.
14Een ieder wordt van de vrucht des monds met goed verzadigd; en de vergelding van des mensen handen zal hij tot zich wederbrengen.
26Pe. Zij doet haar mond open met wijsheid; en op haar tong is leer der goeddadigheid.
9Olie en reukwerk verblijdt het hart; alzo is de zoetigheid van iemands vriend, vanwege den raad der ziel.
16Zijn gehemelte is enkel zoetigheid, en al wat aan Hem is, is gans begeerlijk. Zulk een is mijn Liefste; ja, zulk een is mijn Vriend, gij dochters van Jeruzalem!
16Hoeveel beter is het wijsheid te bekomen, dan uitgegraven goud, en uitnemender, verstand te bekomen, dan zilver!
15Goud is er, en menigte van robijnen; maar de lippen de wetenschap zijn een kostelijk kleinood.
22Want zij zullen het leven voor uw ziel zijn, en een aangenaamheid voor uw hals.
17De gestolen wateren zijn zoet, en het verborgen brood is liefelijk.
21Hij slaat zijn handen aan degenen, die vrede met Hem hadden; hij ontheiligt Zijn verbond.
4De woorden van den mond eens mans zijn diepe wateren; en de springader der wijsheid is een uitstortende beek.
11Uw lippen, o bruid! druppen van honigzeem; honig en melk is onder uw tong, en de reuk uwer klederen is als de reuk van Libanon.
25O, hoe krachtig zijn de rechte redenen! Maar wat bestraft het bestraffen, dat van ulieden is?
13Een vrolijk hart zal het aangezicht blijde maken; maar door de smart des harten wordt de geest verslagen.
25Een goede tijding uit een ver land is als koud water op een vermoeide ziel.
3Want het oor proeft de woorden, gelijk het gehemelte de spijze smaakt.
2Een ieder zal van de vrucht des monds het goede eten; maar de ziel der trouwelozen het geweld.
30De vrucht des rechtvaardigen is een boom des levens; en wie zielen vangt, is wijs.