Spreuken 5:3
Want de lippen der vreemde vrouw druppen honigzeem, en haar gehemelte is gladder dan olie.
Want de lippen der vreemde vrouw druppen honigzeem, en haar gehemelte is gladder dan olie.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
4Maar het laatste van haar is bitter als alsem, scherp als een tweesnijdend zwaard.
2Opdat gij alle bedachtzaamheid behoudt, en uw lippen wetenschap bewaren.
5Opdat zij u bewaren voor een vreemde vrouw, voor de onbekende, die met haar redenen vleit.
24Om u te bewaren voor de kwade vrouw, voor het gevlei der vreemde tong.
25Begeer haar schoonheid niet in uw hart, en laat ze u niet vangen met haar oogleden.
26Want door een vrouw, die een hoer is, komt men tot een stuk broods; en eens mans huisvrouw jaagt de kostelijke ziel.
14De mond der vreemde vrouwen is een diepe gracht; op welken de HEERE vergramd is, zal daarin vallen.
16Om u te redden van de vreemde vrouw, van de onbekende, die met haar redenen vleit;
19Een zeer liefelijke hinde, en een aangenaam steengeitje; laat u haar borsten te allen tijd dronken maken; dool steeds in haar liefde.
20En waarom zoudt gij, mijn zoon, in een vreemde dolen, en den schoot der onbekende omvangen?
27Want een hoer is een diepe gracht, en een vreemde vrouw is een enge put.
21Zij bewoog hem door de veelheid van haar onderricht, zij dreef hem aan door het gevlei harer lippen.
22Hij ging haar straks achterna, gelijk een os ter slachting gaat, en gelijk een dwaas tot de tuchtiging der boeien.
11Uw lippen, o bruid! druppen van honigzeem; honig en melk is onder uw tong, en de reuk uwer klederen is als de reuk van Libanon.
32In zijn einde zal hij als een slang bijten, en steken als een adder.
33Uw ogen zullen naar vreemde vrouwen zien, en uw hart zal verkeerdheden spreken.
20Alzo is de weg ener overspelige vrouw; zij eet en wist haar mond, en zegt: Ik heb geen ongerechtigheid gewrocht!
8Maak uw weg verre van haar, en nader niet tot de deur van haar huis;
25Laat uw hart tot haar wegen niet wijken, dwaalt niet op haar paden.
9En uw gehemelte als goede wijn, die recht tot mijn Beminde gaat, doende de lippen der slapenden spreken.
15Goud is er, en menigte van robijnen; maar de lippen de wetenschap zijn een kostelijk kleinood.
12Nu buiten, dan op de straten zijnde, en bij alle hoeken loerende;
13En zij greep hem aan, en kuste hem; zij sterkte haar aangezicht, en zeide tot hem:
13Zijn wangen zijn als een bed van specerijen, als welriekende torentjes; Zijn lippen zijn als lelien, druppende van vloeiende mirre.
6Opdat gij het pad des levens niet zoudt wegen, zijn haar gangen ongestadig, dat gij het niet merkt.
16Elkeen, die haar verbergt, zou den wind verbergen, en de olie zijner rechterhand, die roept.
32O, die overspelige vrouw, zij neemt in plaats van haar man de vreemden aan.
2Hij kusse mij met de kussen Zijns monds; want Uw uitnemende liefde is beter dan wijn.
21Hij slaat zijn handen aan degenen, die vrede met Hem hadden; hij ontheiligt Zijn verbond.
26En ik vond een bitterder ding, dan de dood: een vrouw, welker hart netten en garen, en haar handen banden zijn; wie goed is voor Gods aangezicht, zal van haar ontkomen; daarentegen de zondaar zal van haar gevangen worden.
24Doe de verkeerdheid des monds van u weg, en doe de verdraaidheid der lippen verre van u.
3Uw lippen zijn als een scharlaken snoer, en uw spraak is liefelijk; de slaap uws hoofds is als een stuk van een granaatappel tussen uw vlechten.
17Haar wegen zijn wegen der liefelijkheid, en al haar paden vrede.
5Gelooft een vriend niet, vertrouwt niet op een voornaamsten vriend; bewaar de deuren uws monds voor haar, die in uw schoot ligt.
23Het hart eens wijzen maakt zijn mond verstandig, en zal op zijn lippen de lering vermeerderen.
24Liefelijke redenen zijn een honigraat, zoet voor de ziel, en medicijn voor het gebeente.
22Een schone vrouw, die van rede afwijkt, is een gouden bagge in een varkenssnuit.
12De woorden van een wijzen mond zijn aangenaam; maar de lippen van een zot verslinden hemzelve.
18Want het is liefelijk, als gij die in uw binnenste bewaart; zij zullen samen op uw lippen gepast worden.
103Hoe zoet zijn Uw redenen mijn gehemelte geweest, meer dan honig mijn mond!
26Pe. Zij doet haar mond open met wijsheid; en op haar tong is leer der goeddadigheid.
32De lippen des rechtvaardigen weten wat welgevallig is; maar de mond der goddelozen enkel verkeerdheid.
23Brandende lippen, en een boos hart, zijn als een potscherf met schuim van zilver overtogen.
21De wijze van hart zal verstandig genoemd worden; en de zoetheid der lippen zal de lering vermeerderen.
10En ziet, een vrouw ontmoette hem in hoerenversiersel, en met het hart op haar hoede;
2Laat u een vreemde prijzen, en niet uw mond; een onbekende, en niet uw lippen.
7De mond des zots is hemzelven een verstoring, en zijn lippen een strik zijner ziel.
10De vreze des HEEREN is rein, bestaande tot in eeuwigheid, de rechten des HEEREN zijn waarheid, samen zijn zij rechtvaardig.
7De lippen der wijzen zullen de wetenschap uitstrooien; maar het hart der zotten niet alzo.
17De gestolen wateren zijn zoet, en het verborgen brood is liefelijk.